30/03/2009

Roman in de steigers?


Voor het Passa Porta Festival 2009 schreef Yves Petry in opdracht van Het beschrijf een tekst over arbeidsvreugde en -verdriet bij het schrijven van een nieuwe roman. Hieronder leest u een fragment. In de reacties leest u de antwoorden van collega-auteurs en generatiegenoten Saskia De Coster en Jeroen Theunissen
Foto (c) Kurt Deruyter

Toen me een tijd geleden werd gevraagd een tekst te schrijven over de roman in wording als bouwwerf, vond ik mezelf uitstekend geplaatst om op dat verzoek in te gaan. Ik was namelijk zelf begonnen aan een nieuwe roman, en woon pal tegenover een grote bouwwerf hier in Brussel Stad, waar achter de gepreserveerde gevels van een of ander oud gebouw een geheel nieuw inwendige wordt opgetrokken. Het zou me dus, op basis van mijn dagelijkse ervaring, niet zo moeilijk moeten vallen om enkele interessante overeenkomsten te ontdekken tussen mijn eigen bezigheden en het bedrijf dat ik door mijn raam kon zien. Maar gaandeweg kwam ik tot de vaststelling dat het verschil tussen beide vormen van activiteit veel wezenlijker en frappanter was dan eventuele parallellen.
Het begint ’s morgens al, heel vroeg in de ochtend, in de winter zelfs meer dan een uur voor de schemering intreedt, wanneer de bouwvakkers arriveren, en een machinebestand van drilboren en slijpschijven en hijskranen en betonmolens en luchtcompressoren zich ijverig in beweging zet, mij en de hele buurt trakterend op hun sissen en gieren en trillen en ratelen en daveren en ronken. Ikzelf daarentegen, ikzelf ben helemaal niet zo. Niet alleen begint mijn dag een stuk later, hij begint ook veel langzamer. En niet alleen begint hij langzamer, hij begint ook stiller en blijft veel stiller. Afgezien van een sporadische vloek, een machteloos stampvoeten, of, wat maar uiterst zelden voorkomt, het door de kamer slingeren van mijn stoel, uitingen van frustratie die mogelijk mijn onder- of bovenbuur nu en dan eens vreemd doen opkijken, denk ik niet dat mijn geschrijf iemand last bezorgt. Kijkend door mijn raam naar de luidruchtige en ononderbroken activiteit die zich aan de overkant van de straat afspeelt, voel ik me veeleer een potplant op de vensterbank die traag en geruisloos blad na blad probeert te ontvouwen.
Om kort te gaan, ik vind dat het schrijven van een roman meer weg heeft van een organisch groeiproces dan van een bouwproces.
Aan de doelgerichtheid en de gestage vorderingen op de bouwwerf ligt een intelligent ontwerp ten grondslag. Het eindresultaat is op voorhand al helemaal uitgetekend, en een zorgvuldige planning geeft aan in welke volgorde de verschillende taken moeten worden uitgevoerd om dat eindresultaat te bereiken. Als er zich geen situaties van overmacht voordoen, zal het afgeronde geheel op een vooraf beraamd tijdstip kunnen worden opgeleverd. Er bestaat een niveau van planmatigheid en berekening van waaruit toezicht kan gehouden worden op de voortgang van het werk. In de fantasiewereld van wat tegenwoordig Intelligent Design wordt genoemd, schijnt men te geloven dat ook de ontwikkeling van levensvormen gestuurd wordt vanuit een dergelijk toezichthoudend niveau. Maar als ik spreek over een organisch groeiproces, dan denk ik eerder aan een organisme in darwinistische zin: het groeit blindelings, en al gebeurt dat daarom nog niet willekeurig, het wordt niet geleid van bovenaf. Het groeit van binnenuit, zonder te weten waarheen of waartoe.
Ik ga me niet bezondigen aan het cliché waarin de schrijver wordt vergeleken met een aanstaande moeder, zijn nakende roman met haar rijpende vrucht, en zijn meest recente publicatie met haar jongste bevalling. In mijn geval is deze vergelijking om te beginnen al een veel te idyllische voorstelling van zaken. Nee, als ik in heel die zwangerschapsvergelijking voor mezelf al een rol zie weggelegd, dan is het nog eerder die van de foetus. Nu zult u misschien denken dat de rol van de foetus toch al is ingenomen door de roman in wording. Maar daarop antwoord ik dat de schrijver en de roman niet van elkaar mogen worden onderscheiden. De schrijver deelt geheel en al in het lot van zijn werk. De onvolkomenheden ervan zijn de zijne, de beperking ervan is zijn eigen beperktheid. Als de schrijver niet schrijvende is, is hij op dat moment ófwel geen schrijver, ófwel is hij zijn roman in sluimertoestand. Veel schrijvers weten zich, wanneer ze niet aan het schrijven zijn, nog wonderlijk goed staande te houden in een wereld die nagenoeg volledig door niet-schrijvers wordt geregeerd. Maar ik zal wel niet de enige schrijver zijn die er regelmatig bijloopt als een sluimerend figuur, een uit zijn vruchtwater weggerukte foetus, geplaagd en bezwaard door verlangens naar een voltooiing die nog lang niet is bereikt.
Wanneer de schrijver wel schrijvende is, valt hij helemaal samen met het moeizame voortkruipen van de zinnen, met stagnatie en abrupt betekenisverlies, of godzijdank heel af en toe met de perfecte passage, waarin alles wordt gezegd wat gezegd moest worden, en wel met de maximale helderheid en uitdrukkingskracht die de natuurlijke taal ons toestaat. Ja, heel af en toe zal mijn onder- of bovenbuur me horen uitbarsten in een jubellied, al zal dat mogelijk niet minder vreemd of verontrustend klinken dan het gooien met een stoel.

YVES PETRY
Gepubliceerd in De Standaard der Letteren van 27.3.09. Klik hieronder op 'reacties' voor de antwoorden van Jeroen Theunissen en Saskia De Coster.

03/02/2009

Verslag 'Over de zin en onzin van "Vlaamse poëzie"'


door Bart Van der Straeten
(eindredacteur Ons Erfdeel, criticus De Morgen)

‘Dat er zich een debat zou ontwikkelen naar aanleiding van de verschijning van Hotel New Flandres. 60 jaar Vlaamse poëzie 1945-2005 was te hopen en te verwachten. Maar dat de toon van de gevoerde discussie zo bitsig zou worden en het debat verre van constructief was, dat hadden we niet zo ingeschat,’ zo opende directeur Sigrid Bousset het debat ‘Over de zin en onzin van “Vlaamse poëzie”’ dat Het beschrijf aan de vooravond van Gedichtendag 2009 organiseerde (28.1.09). Wegens “gebrek aan vertrouwen in een gesprek dat überhaupt nog sereen zou kunnen verlopen” hadden Hans Vandevoorde (wiens recensie op De Contrabas verscheen) en Philip Hoorne (criticus Knack), de twee meest uitgesproken stemmen in de receptie van Hotel New Flandres (uitg. Poëziecentrum, 2008), afgezegd voor het debat. Dirk De Geest, hoogleraar aan de K.U.Leuven, leidde dan maar een beschaafd gesprek tussen Dirk van Bastelaere, een van de drie samenstellers van de bloemlezing Hotel New Flandres, en Hugo Brems, hoogleraar Nederlandse literatuur aan de K.U.Leuven en auteur van Altijd weer vogels die nesten beginnen (2005), de geschiedenis van de naoorlogse Nederlandse literatuur (van Vlaanderen én Nederland dus) die deel uitmaakt van een nieuwe, door de Nederlandse Taalunie geïnstigeerde, geschiedenis van de Nederlandstalige literatuur.

Vlaams en/of Nederlands
Over de zin van het beschouwen van de 'Vlaamse poëzie’ als een aparte entiteit hadden beide heren uitgesproken ideeën. Hugo Brems meende dat er goede redenen bestaan om de literatuur van Vlaanderen en Nederland samen te beschouwen, net zoals er goede redenen bestaan om beide apart te bestuderen. Enerzijds zijn op institutioneel gebied de Vlaamse en Nederlandse literatuur relatief sterk op elkaar betrokken. Er bestaan vele tijdschriften met gemengde Vlaams-Nederlandse redacties; Vlaamse dichters publiceren vaak bij Nederlandse uitgeverijen, er bestaan gezamenlijke prijzen enz. Maar anderzijds bestaan er ook eigen, puur Vlaamse literaire instellingen, zoals de Herman de Coninckprijs. Op literatuurhistorisch vlak hebben zich in Vlaanderen en Nederland wel dezelfde ontwikkelingen voorgedaan, maar dat gebeurde op een verschillend tempo en in elke regio werden eigen accenten gelegd. Er is een dynamiek van verwijdering en toenadering op verschillende momenten. Dirk van Bastelaere meende dan weer dat de focus die in Hotel New Flandres op 'Vlaamse poëzie’ gelegd wordt, vaak verkeerd begrepen is. Het Vlaamse poëtische systeem is volgens hem een autonoom semiotisch systeem. Vlaamse dichters die beginnen te publiceren, verhouden zich in de eerste plaats tot het oeuvre van de Vlaamse dichters rond hen en voor hen. Het Vlaamse systeem is een dynamisch systeem dat bestaat uit teksten. De beperking tot ‘Vlaamse poëzie’ heeft dus niets te maken met ‘Vlaamse geborneerdheid’, maar met een specifieke, systeemtheoretische kijk op de geschiedenis van poëtica's. Van Bastelaere betoogde dan ook dat het feit dat het Nederlandse en het Vlaamse poëtische systeem grotendeels teksten uit dezelfde taal bevatten, niet betekent dat er een bevoorrechte relatie zou bestaan tussen beide systemen. Nee, de grootste vernieuwingen in het Vlaamse systeem kwamen volgens hem uit andere systemen dan het Nederlandse.
Op dit punt verschilde Hugo Brems met hem van mening. De relatie tussen de Vlaamse poëzie en de Nederlandse poëzie vertoont veel meer continuïteit dan die met andere buitenlandse literaturen, argumenteerde hij. Maar het zou ook zin hebben de relaties te onderzoeken tussen de Vlaamse en Franstalige poëzie bijvoorbeeld. In het fin-de-siècle stonden die intens met elkaar in verhouding.

Stromingen en breukmomenten
Hoe dan ook heeft de bloemlezing Hotel New Flandres zich beperkt tot de naoorlogse Vlaamse poëzie. Wat is nu kenmerkend voor die naoorlogse Vlaamse poëzie, vroeg Dirk De Geest zich af. Wat valt daarin op? Hugo Brems beschreef in zijn antwoord de Vlaamse poëzie als een fluctuatie, een opeenvolging van stromingen. Het experiment in de jaren 50 werd afgewisseld door het neoralisme van de jaren 60 en de neoromantiek van de jaren 70. De postmoderne poëzie in de jaren tachtig vormt het laatste moment van een uitdrukkelijk geëxpliciteerde poëtica. De periode daarna wordt gekenmerkt door een naast elkaar bestaan van verschillende poëtica's. Ook heeft de poëzie zich de jongste jaren losgemaakt van zijn traagte. Zij krijgt een meer evenementiële verschijningsvorm: op festivals bijvoorbeeld, en op het internet. Poëzie functioneert op een nieuwe manier in de maatschappij.
Voor Dirk van Bastelaere zijn de breukmomenten het opvallendste feit in de naoorlogse Vlaamse poëzie. Het feit dat er door de publicatie van één bundel, De Oostakkerse gedichten van Claus, of De lenige liefde van De Coninck, plots dingen in de Vlaamse poëzie mogelijk werden die daarvoor niet aanvaard zouden zijn geworden. Precies die breukmomenten heeft hij, samen met medesamenstellers Erwin Jans en Patrick Peeters, dan ook als structurerend principe gebruikt voor de bloemlezing. Een gevaar daarbij is dat je als bloemlezer of als literatuurhistoricus de vernieuwingsmomenten gaat favoriseren tegenover de continue stroom van meer conventionele poëzie waartegen de vernieuwing gebeurt. Het is, volgens Hugo Brems, een verdienste van Hotel New Flandres dat de bloemlezing net heel goed de ‘gelijktijdigheid van het ongelijktijdige’ laat zien; dat ook de achtergrond in beeld wordt gebracht waartegen de evolutie zich aftekent.

De keuze van de samenstellers
Dat werd duidelijk uit de gedichten die de HNF-samenstellers op verzoek van Het Beschrijf kozen uit hun bloemlezing. Elk van de samenstellers, én Hugo Brems, bracht in de loop van de avond één gedicht naar voren dat uit het boek dat ‘iets zegt’ over de Vlaamse naoorlogse poëzie. Erwin Jans opteerde voor ‘Waternegers’, een gedicht uit 1957 van Marcel Coole. Het gedicht is vrij traditioneel, zeker in vergelijking met Claus' Oostakkerse gedichten, die twee jaar voordien in boekvorm waren verschenen. Het is dan ook niet als esthetisch object belangrijk, maar als historisch document: omdat het een van de weinige gedichten is in de naoorlogse Vlaamse poëzie dat iets zegt over de kolonisatie.
Dat de samenstellers in hun selectie streefden naar een zo breed mogelijke diversiteit, bleek ook uit het gedicht dat Patrick Peeters te berde bracht: ‘Reeksen 18 Inventaris: Blokken’ van Annie Reniers (1982). Dit gedicht werd niet alleen opgenomen omdat het geschreven werd door een vrouwelijke dichter – dat óók - maar ook omdat het een gedicht is dat toch vooral een “gewone” tekst lijkt te zijn en zo de diversiteit aan tekstsoorten illustreert die de Vlaamse poëzie tentoonspreidt.
Dirk van Bastelaere koos met ‘Ars Poëtica’ (1984) van Jan Vanriet dan weer voor een voorbeeld van een gedicht dat een achtergrond vormt waartegen de vernieuwing zich afspeelt. Het gedicht bevat echo's van tal van andere dichters: van Claus, Jooris, Gruwez. En zo illustreert het ook hoe poëzie die op een bepaald moment innovatief is, al snel tot de conventie gaat behoren. Dit gedicht conformeert zich gewillig met tal van conventies die op dat moment golden in het Vlaamse poëtische systeem.

Kreunen onder het gewicht
Uit het publiek kwam daarop de vraag of Van Bastelaere daarmee ook geen waardeoordeel uitspreekt: vindt hij gedichten kwaliteitsvoller als ze innovatiever zijn, en minder kwaliteitsvol als ze zich scharen achter wat op een bepaald moment conventioneel is? Het antwoord was ontkennend: de opdracht van het Poëziecentrum was een overzicht te brengen van de Vlaamse poëzie na 1945 en niet een van de voorkeursgedichten van Dirk van Bastelaere. Innovatie is maar innovatie als ze wordt opgepikt door anderen en wordt verspreid. Gedichten als deze doen dat en hebben dus hun plaats in zo'n overzicht. De samenstellers hebben natuurlijk door het feit van de selectie alleen al in zekere zin kwaliteit toegekend. Bij die selectie hebben zo voornamelijk het criterium van de diversiteit gehanteerd: ze wilden een zo breed en divers mogelijk beeld geven van de naoorlogse poëzie in Vlaanderen, en het bestaande, gereduceerde beeld dat ons door de media en andere instanties wordt opgedrongen, corrigeren. Zo zijn er van Herman de Coninck alleen poëticale gedichten gebloemleesd.
Misschien, zo opperde Hugo Brems, wil Hotel New Flandres wel te veel tegelijk: én een correctie bieden op bloemlezingen als die van Komrij, die gebaseerd zijn op de persoonlijke voorkeur van de bloemlezer, én een correctie bieden op de beperkte canon die door zulke bloemlezingen en door de media wordt geconstrueerd, én een zo divers mogelijk beeld geven van de naoorlogse Vlaamse poëzie, met aandacht voor verscheidenheid in vorm en inhoud. Het boek kreunt wellicht onder het gewicht van al die criteria. Bovendien gaat de inleiding, waarin een en ander op een ironisch-theoretische manier uit de doeken wordt gedaan, wellicht de beoogde doorsnee poëzielezer en -koper te boven.
Niettemin kwam er een woord van dank uit het publiek. Auteur David Van Reybrouck bedankte de samenstellers voor de vele dichters die hij zonder Hotel New Flandres niet had leren kennen. Hij vergeleek de methode die de samenstellers hanteerden met die van negentiende-eeuwse antropologen: net als deze presenteren de bloemlezers hun object, in dit geval: de Vlaamse poëzie, als een sociaal-evolutionistische ontwikkelingsgang. Toch maken zij daarbij, net als hun negentiende-eeuwse tegenpolen, natuurlijk ook esthetische keuzes, omdat je nu eenmaal niet àlles kunt opnemen. Misschien, opperde Van Reybrouck, was het eerlijker geweest toe te geven dat bij de selectie ook onvermijdelijk een esthetisch perspectief heeft meegespeeld. Daarnaast, vond Van Reybrouck, heeft Hotel New Flandres de historische ontwikkelingslijn wel heel erg laten domineren boven tal van andere mogelijke lijnen.
Zoals gezegd mocht ook Hugo Brems, ter afsluiting van de avond, een gedicht voorstellen dat ‘iets zegt’ over de Vlaamse poëzie. Hij koos niet zijn favoriete gedicht, want dat zou 'Een kus in Ter Kameren' zijn van Jos de Haes, maar wel ‘Zwart lam’ van Hubert Van Herreweghen. Dat gedicht toont volgens hem aan dat ook ‘traditionele’ dichters, die op geen enkel moment innovaties in het poëtische systeem hebben gebracht, zich toch vernieuwd hebben. Zo is Van Herreweghen in zijn latere werk veel meer taalplezier gaan toelaten. Dit ‘Zwart lam’ illustreert dat uitstekend.

Een Vlaams cadeau voor Nederlandse lezers

Wat ‘Zwart lam’ nog illustreert, is dat Vlaamse dichters een andere positie kunnen innemen binnen het Vlaamse poëtische systeem dan binnen het gemeenschappelijke Vlaams-Nederlandse poëtische systeem. In Vlaanderen wordt Van Herreweghen als een van de grotere traditionele dichters beschouwd. In Nederland is zijn werk echter zo goed als onbekend. Net daarom is het misschien een goed idee, zoals Dirk De Geest aan het eind van de avond stelde, een boek als Hotel New Flandres cadeau te doen aan Nederlandse kennissen. Dan kan het serene debat , dat op deze avond met Vlaamse stemmen gevoerd werd, in het Noorden van het taalgebied voortgezet worden.


Zie ook:
Marc Reugebrink over deze debatavond
Benno Barnard over HNF
Huub Beurskens over HNF
Philip Hoorne over HNF
Marc Reugebrink over HNF
Bart Van der Straeten over HNF
Yves T'Sjoen over HNF
Hans Vandevoorde over HNF

Voor de reactie van de samenstellers op de ontvangst, zie Hotel New Flandres blog

06/12/2008

Vers Brussel in het Europees Parlement


VERSLAG DOOR VERTALER ERIK DE SMEDT (4/12/08) - Voor het vertaalproject 'babel' van Vers Brussel was het een bijzondere dag. Bijna twintig EU-vertalers waren vanmiddag in het Europese parlement aanwezig om de versie van Ulf Stolterfohts gedicht in hun moedertaal voor te lezen. Voor de buitenstaanders een gelegenheid om de 'vesting Europa' te leren kennen. Want daar heeft het wat van. Eerst het gebouw proberen te vinden. 'Europees parlement = Europese wijk = Schumanwijk, dus met de metro tot Schuman' bleek een verkeerde veronderstelling. Voorbijgangers op straat de weg vragen, is ook niet zo'n goed idee. Iemand wou me naar het station Luxemburg sturen en zei dat het 'very far' was. Omdat ik dat niet kon geloven, op goed geluk zelf wat straten overgestoken tot ik de weg helemaal kwijt was. In een winterse bui nog maar iemand aangesproken (in die buurt doe je dat voorzichtigheidshalve in het Engels) die als bij wonder ook naar het parlement moest ... en een Duitse bleek. In het Altiero Spinelligebouw zijn de veiligheidsmaatregelen vergelijkbaar met die op de luchthaven, metaaldetector inbegrepen. Dat parlement heeft overigens iets van een glazen huis, al moest ik eerder aan een serre denken. In de wandelstraten binnen vind je zowat alles, tot en met een KBC-bankfiliaal. Je hoeft zelfs niet meer naar buiten als je bomen of de lucht wil zien.

In de indrukwekkende ronde vergaderzaal A5G3 moesten de tolken en vertalers nu 's niet achter glas in de cabines plaatsnemen, maar op de voorste rij. Een voor een lazen ze hun vertaling van 'babel', alfabetisch volgens taal, van Bulgaars tot Zweeds. Intussen waren er op groot scherm in loop trage beelden te zien die Honoré d'O eerder in het gebouw had gemaakt. Een imposante stenen kop (bij navraag Paul Henri Spaak), dichtslaande klapstoeltjes, onbemande rijen in het parlement, een klok die 360° draaide en dus steeds een andere tijd aangaf. De kunstenaar vertelde achteraf dat hij dit videobeeld bijna niet had kunnen maken, omdat niets van de EU-bewakers langer dan twee minuten mocht worden gefilmd. Dat de voertaal bij vorige workshops en sessies overwegend Engels (soms een beetje Frans of Duits) was geweest, leek nu vergeten. Net als in het gedicht, hadden de 'drieëntwintig tongen' het voor het zeggen.

Spraakverwarring is het niet het juiste woord, maar een uitzonderlijke ervaring was het wel – en een ultieme weerlegging van de 'eenheidsworst' waar Europa vaak mee wordt geassocieerd. Volgende week komen de teksten op de website van Vers Brussel. Nu was het luisteren, gissen, vluchtig herkennen en toegeven dat veel je ontgaat. Die 23 talen zijn grondig uit elkaar gedreven. Hoe zou iedere aanwezige de voor haar of hem echt 'vreemde' talen hebben aangevoeld? Wat zou ieder erin hebben geprojecteerd? Zou het Hongaars ook voor anderen zo muzikaal hebben geklonken, als kamermuziek in sourdine? Het Lets zo magisch-sprookjesachtig? En het Pools zo dramatisch, alsof er een hele scène (in niet-theatrale zin!) werd gemaakt? En hoe zou Nederlands overkomen in Italiaanse, Maltese, Sloveense of Zweedse oren? Eén zinnetje klonk vandaag met bijna twintig accenten: "Verstaat u mij? Ja, als u niet te vlug spreekt". De dichter citeert het in 'babel' in het Nederlands (een vondst uit zijn Langenscheidt taalgidsje). 'Ergens voorbij de woorden gebeurt het' – zegt Huub Oosterhuis in zijn essay 'De tweede taal' – 'dat mensen elkaar verstaan.' Door ons met twintig te buigen over dat ene gedicht 'babel' hadden we even geen tolk meer nodig. Of zoals Ulf Stolterfoht schrijft: "babel is lieflijk, een oord voor de wildste syllaben, soort permanent pinksteren". (Erik de Smedt)

21/10/2008

Vers Brussel - Poetry Translation Workshop with Ulf Stolterfoht

In juni ’08 streek het stadspoëzieproject Vers Brussel van Het beschrijf neer in de Brusselse Europawijk.



EN/ Earlier this year German poet Ulf Stolterfoht visited the European district by invitation of Vers Brussel, the urban poetry project of Het beschrijf. As a result he wrote the intriguing poem ‘babel’. Belgian artist Honoré d’O will now create a temporary work based on this poem. On Sunday 19 October 17 candidate-translators, mostly working for the European Institutions, attended a poetry translation workshop as preparation for their own version of the poem. In the comments on this entry you may follow how the poet and his translators exchange views on a number of translation issues. The poem itself is already available in German, Dutch and French on Vers Brussel's own website.

NL/ De Duitse dichter Ulf Stolterfoht bezocht de Brusselse Europawijk en schreef vanuit deze ervaring het gedicht 'babel'. Voor het tijdelijke beeldende werk van Belgisch kunstenaar Honoré d’O wordt het gedicht nu vertaald naar de 23 officiële Europese talen. Op de website van Vers Brussel leest u Stolterfohts gedicht in het Duits, het Nederlands en het Frans.
Vertalers en tolken van de Europese instellingen werken momenteel gezamenlijk aan hun versies van dit eigentijdse gedicht. In de onderstaande commentaren bij dit bericht kunt u volgen hoe dichter en vertalers hun praktische ervaringen uitwisselen.

04/07/2008

Vooraf

Vanaf seizoen 08-09 kunnen auteurs in het kader van hun projecten met Het beschrijf hier discussies voeren en foto's en teksten plaatsen.

Zie de Zenne / Senne en scènes

During the Summer of 2007, at the initiative of Het beschrijf, five writers living and working in Belgium each explored a specific location along the river-bed of the Senne.

From its source at Soignies (novelist Yves Petry) to its confluence with the Dijle near the city of Malines (novelist Xavier Deutsch), running through Tubize (poet Paul Bogaert), Brussels (poet and novelist Xavier Queipo), and Vilvoorde (playwright Layla Nabulsi).
The authors each wrote a literary column based on their experiences on the spot, and later assembled condensed versions of their texts to make a poem in the shape of a “cadavre exquis”.

This material was then used by Walter Verdin to create this five-part video, which was exhibited at the International House of Literatures Passa Porta in Brussels, Belgium, from 23 September till 14 October 2007.

The project was initiated by the literary organisations Het beschrijf and Entrez Lire, at the occasion of the opening of the cultural season 07-08 at Passa Porta, International House of Literature.

This is part one, the Senne at Soignies, with a text by Flemish novelist Yves Petry.

Zennescènes-Senne en scènes 1 Yves Petry - Soignies



This is part two, the Senne at Tubize, with a text by Flemish poet Paul Bogaert.

Zennescènes-Senne en scènes 2 Paul Bogaert - Tubize



This is part three, the Senne in Brussels, with a text by Galician writer Xavier Queipo.

Zennescènes-Senne en scènes 3 Xavier Queipo - Brussel/Bruxelles