20/05/2011

Het recht op openlijk voyeurisme


Jeroen Theunissen
is een van de vier auteurs die op voorstel van Het beschrijf samenwerken met de Argentijnse regisseur Mariano Pensotti, voor de performance Sometimes I think, I can see you op het KunstenfestivaldesArts 2011. Zie hier voor meer info, data en uren.
Recente titels van Jeroen Theunissen zijn de romans Een vorm van vermoeidheid (2008) en De stolp (2010), en de dichtbundel Het zit zo (2009).



In Sometimes I think, I can see you zitten vier schrijvers, onder wie ik, in het Brusselse metrostation Kruidtuin. Het principe is zo eenvoudig als origineel: wat wij schrijven over de mensen die de metro in- en uitstappen of die op het perron staan te wachten, wordt rechtstreeks geprojecteerd op grote schermen, zodat de reizigers kunnen lezen hoe wij hun gang, hun uiterlijk, hun leven in het algemeen beschrijven, beoordelen en omzetten in fictie. Blijkbaar kan een schrijver dus toch een directe, irritante, geestige manipulator zijn.

Als schrijver heb ik mij eerder al het recht op voyeurisme toegeëigend. Vrienden, collega’s, familieleden en toevallige passanten zijn er in de eerste plaats om geobserveerd te worden en vervolgens om omgezet te worden in romanpersonages, en uiteraard pas in tweede instantie hebben ze recht op een autonoom leven (waarvan ze mij ook nog de sappigste anekdotes moeten komen vertellen). Als observator blijf ik discreet, en ik kan de romanpersonages die ik op hen baseer wel sturen, maar zijzelf blijven immuun voor mij. Dankzij de installatie van de Argentijnse regisseur Mariano Pensotti verandert dat. Ineens krijg ik de kans om het voyeurisme open en bloot te bedrijven, hoef ik mij voor mijn perverse, verdorven geest niet meer te schamen, en ben ik bovendien in staat de geobserveerde personages direct te manipuleren.

Of was het omgekeerd? Want ik mag met mijn panoptische blik observeren en manipuleren, en tegelijkertijd word ik ook zelf door die personages gestuurd. Ze spelen het spel mee of ze werken tegen, ze lezen mij of negeren mij.

Wat Sometimes I think I can see you zo bijzonder maakt, is dat na een tijdje de toeschouwers en de schrijvers niet meer weten wat nu fictie en wat realiteit was. Waren die dame met het rode hoedje en de heer met het blauwe fluwelen jasje nu verdwaalde geheime minnaars op zoek naar een privaat plekje of gewoon twee onbekenden van wie er een zal uitstappen in Madou en de ander in Kunst/Wet?

Jeroen Theunissen, 18 mei 2011

10/05/2011

Bernard Dewulf over een nieuw boek van Lieven De Cauter

Dit is de tekst van de inleiding die schrijver Bernard Dewulf uitsprak bij de presentatie van De oorsprongen of het boek der verbazing (uitg. LannooCampus), een essayboek van Lieven De Cauter, in literatuurhuis Passa Porta op 28 april 2011.


Dames en heren,

Het is met het inleiden van boeken als met het uitleiden van de doden: niets dan goeds.
Het is een gebaar van genade.
Het is een ritueel. En zijn niet alle rituelen uiteindelijk gericht op genade?

Ik hoef vanavond niet amechtig op zoek naar genade. Het boek van Lieven De Cauter is op zich voldoende als genadig gebaar. Hadden ze mij als student dit soort studieboek in handen gestopt, ik zou wat sneller de weg hebben gevonden naar de essayistiek.

Lieven De Cauter lijkt me, op grond van van zijn boek, wel van het rituele te houden. Net als van spreuken. En van landschappen. En architectuur. En muziek. En lezen natuurlijk. En van het alfabet. En van een glas wijn. En van redekavelen. En van het politieke. En van schilderkunst. En van etymologie.

En zo kan ik nog even doorgaan.
Lieven De Cauter is een polymaan.
Ik herhaal: Lieven De Cauter is een polymaan.

Nu moet u vooral niet zitten knikken, want u weet nog niet wat dat betekent: een polymaan. Tenzij u het boek van Lieven De Cauter al gelezen hebt, wat gezien de omstandigheden weinig waarschijnlijk is. Het woord polymaan is namelijk een uitvinding van Lieven De Cauter, die hij in zijn boek prijsgeeft.

In 'Lof der polymanie', onder het hoofdstuk ‘Homo ludens’, stelt De Cauter de polymaan tegenover de monomaan, een woord dat wél bestaat. Monomanen hebben zoals bekend één obsessie, polymanen hebben er veel.

'Een mens', schrijft De Cauter, ‘moet de tienduizend dingen, eeuwig verwonderd, trachten te doorgronden, te benaderen, te ervaren. Daarom is polymanie de natuurlijke toestand van de filosoof.’

De natuurlijke toestand van de filosoof.

Het brengt me op, alvast, één motief in dit polymane boek: de complexe verhouding tussen natuur en cultuur. Of het nu gaat over ons moderne verlangen naar stilte of over de oertoestand van het communisme, De Cauter wijst er ons telkens weer - ik zou haast zeggen ‘monomaan’ - op dat weinig is wat het lijkt. Zeker het zogenaamd 'natuurlijke' demythologiseert hij graag.

Een paar one-liners uit zijn stuk over de stilte: ‘Stilte is een cultuurverschijnsel.’ ‘Wie zoekt naar de stilte in de natuur, zoekt eigenlijk naar de muzak van de natuur.’ De conclusie van De Cauter is heerlijk: ‘De architectuur, en niet de natuur, vormt de oorsprong van de stilte.’

Ik kan dan alleen maar zitten knikken.
Zeker in vroeg-zomerse tijden dat de muggen massaal de slaapkamer belegeren.

‘De architectuur vormt de oorsprong van de stilte.’ Het woord is gevallen: oorsprong. In zijn boek gaat De Cauter, ook volgens de titel, op zoek naar de oorsprong van van alles: onder meer het wandelen, de cultuur, de spreuken, de muziek, de poëzie, het landschap, het spel, de komedie, het alfabet, de oorlog, het dandyisme.

Het is natuurlijk een niet eens zo stiekeme truc van de belezen essayist. Teruggravend kan hij zijn kennis opgraven, terugbladerend in de geschiedenis kan hij de beste blazijden van zijn geliefde denkers citeren, de oorsprong zoekend kan hij tegelijk speculeren over de toekomst van die oorsprong.

Dat levert erudiete stukken op en geregeld ook bevlogen persoonlijke beschouwingen. De Cauter is gul in het delen van zijn kennis en belezenheid, ik heb genoten wanneer hij weer eens doeltreffend Aristoteles citeert, of Walter Benjamin, of die immer betrouwbare Kant, van wie De Cauter trouwens en passant in één citaat een enigszins andere kant laat zien:

‘Het huwelijk’, betoogde Kant, ‘is de verbinding tussen twee personen van verschillend geslacht ten behoeve van het levenslange wederzijdse bezit van elkaars geslachtseigenschappen.’

Dat waren nog eens verlichte tijden.

Maar ik dreig af te dwalen.

Ook genoten, misschien wel het meest, heb ik van één uitgesproken bezigheid van deze polymaan: de etymologie. Het ligt voor de hand dat wie naar oorsprongen zoekt, de weg van de woorden terugloopt. Je leest het plezier zo van de bladzijden af wanneer De Cauter weer eens tot diep in de kindertijd van onze huidige taal kan gaan kijken. Dan kan het gebeuren dat hij met een vriend een hele middag en avond zit te redekavelen over de oorsprong van het woord ‘komedie’. Terwijl ze ergens in een genadige tuin drinken en roken, komt de lezer samen met hen terecht in buitenwijken van het oude Griekenland en verneemt hij van alles over de wonderlijke kronkelwegen die de woorden in de eeuwen hebben afgelegd.

De meest bevlogen stukken in dit boek zijn die waar belezenheid en beleving (in de zin van geleefd-hebben) samenkomen.

Bijvoorbeeld de subtiele preek die De Cauter houdt in een kapel voor zijn ‘tante Paula’ over het verschijnsel ‘roeping’. Het gaat dan over belangrijke dingen als liefde, ouderliefde, naastenliefde, broederliefde, passie, engagement, professie en lotsbestemming. En over hoe nauw al die wezenlijke begrippen luisteren.

Of wanneer hij treurt over de teloorgang van spreuken en uitdrukkingen. Er zijn grootmoeder en zijn moeder bijhaalt, vaststelt dat zijn eigen generatie die spreuken alleen nog ironisch gebruikt en besluit: ‘Generaties maken hinkstapsprongen door de geschiedenis. Uitdrukkingen zijn het stof van deze atletiek der eeuwen, dat is blijven hangen in de kleren van de nakomelingen.’

Mag ik beweren dat Lieven De Cauter in dit boek een melancholicus is? Me dunkt van wel. Maar dan uiteraard niet in de ziekelijke zin en ook vooral niet in de kleffe zin. Ook niet in de nostalgische zin.

Ik bedoel het op twee manieren.

Allereerst zijn grote gevoeligheid voor geschiedenis. Wie, zoals De Cauter, keer op keer wil uitzoeken en aantonen hoe eeuwenoud wij, hoe stokoud onze levendige woorden, onze wereld, onze pretenties, ambities en illusies wel zijn, wie zo polymaan én monomaan de duizend-en-één verschijningvormen van het raadselachtige telkens weer wil benaderen, onderzoeken en graag ook verklaren, kan moeilijk anders dan op het eind van zijn boek besluiten: ‘Het is de verpletterende verbazing / over het bestaan van de dingen / en hun afgrondelijke, onverklaarbare zijn / dat nergens op slaat. / En dat dit toch het mooiste is wat er bestaat. / Alleen omdat er niets anders is.’

En dat iemand dan, ten tweede, in dat alles wat nergens op slaat, toch telkens weer betekenis en betekenissen en oorsprongen en richtingen en bestemmingen zoekt - ja, daar schuilt een diepe melancholie in.

Ik geloof zelfs dat ze de grondtoon van dit boek vormt, of in de woorden van De Cauter zelf, aan het eind van zijn preek over de roeping: ‘de dragende bastoon’.

Dat alles wil, voor alle duidelijkheid, geenszins zeggen dat De Cauter een halfzachte, wat zwijmelende beschouwer zou zijn. De kracht van zijn opstellen schuilt ook in zijn drang naar precisie, naar de exacte toedracht, naar de ontmaskering van dwalingen, denkfouten, vooroordelen, enzovoort.

Zeker wanneer hij over politiek, ideologie en geloof begint, kan hij fel van leer trekken.

Het is niet omdat iemand graag met een glas mijmerend in het haardvuur zit te kijken en daar dan mooie dingen over bedenkt, zoals ‘Het vuur opent voor ons een blik op onze eigen verte. Vandaar dat we er zo lang in kunnen staren’, dat die niet tegelijk rationeel brandhout kan maken van het door hem verafschuwde ‘moderne godsbeeld’ - een woordgroep waarvan De Cauter, naar eigen zeggen, ‘diarree krijgt’.

U hoort het dus: De oorsprongen is het boek van een polymaan, die polyfoon uit de hoek komt en graag de hele wereld aan de polygraaf zou leggen. In het volle besef dat ook dan het raadsel onopgelost zou blijven.

Bernard Dewulf, uitgesproken te Brussel, 28 april 2011.

23/03/2011

LESS THAN HALF A DAY A short love story pt.12 - Christos Chrissopoulos

12.
I must have asked for a letter from your moon-white hand. And you wrote me. You wrote me into my room. With walls of books, paper windows, and empty furniture. I read aloud to the apparition you left behind, and gradually it quietens.

Vibed by: CC 4 views 0 comments
comment | delete | follow

Wednesday, March 23, 2011

22/03/2011

LESS THAN HALF A DAY A short love story pt.11 - Christos Chrissopoulos

11.
Every time sleep loosens me, I lean beside her, feeling the insistent pulse of a vein. I hold her as her limbs unlock, and I put her to sleep. In my sleep, I put her to sleep.

Vibed by: CC 4 views 1 comment
comment | delete | follow

Tuesday, March 22, 2011


Tara says:
Against dreaming... (from yesterday).

19/03/2011

LESS THAN HALF A DAY A short love story pt.9 - Christos Chrissopoulos

9.
When she said she didn’t want me, and my throat and my lungs clenched, it wasn’t for love, because how do I know what love is? It was because she drove her fist up breaking the surface of the night sky. And after that, nothing happened.

Vibed by: CC 4 views 7 comments comment | delete
| follow

Saturday, March 19, 2011



Tara says:
What are you doing here? Some sort of self-pity?
CC says:
Why are you following?
Tara says:
I don’t know. You continue to surprise me.
CC says:
You should have said it earlier.
Tara says:
You understood nothing?
CC says:
You only said “you are nice”.
Tara says:
This thread takes us nowhere.

18/03/2011

LESS THAN HALF A DAY, a short love story. prt 8 By Christos Chrissopoulos

8. Friday, March 18, 2011

I will write hastily of the only hug, which I remember only through my hands. She did hold me, this I know. Or was it just the kiss; and the gentle turn of the head? And then, did she walk slowly or fast? Was I leading her, or was she dictating our route? If the latter was true, why was I looking at the road and not at her?
- “Do you prefer to walk?”
- “Yes, let’s take a stroll”.

Vibed by: CC 4 views 2 comments comment |delete |follow

Tara says:
I’ll be away for the weekend




Every day the story continues in this spot until the end of March

17/03/2011

LESS THAN HALF A DAY A short love story pt.7 - Christos Chrissopoulos

Thursday, March 17, 2011

She had no way to speak to me truly, and I had forgotten all the words I wanted to tell her. So, we both abandoned ourselves to trivial talk, and to a glance that every now and then stalled around the eyes or mouth.

Vibed by: CC 4 views 2 comments comment |delete |follow




Tara says:
I like your story.
CC says:
You don’t refer to the meaning right?
Tara says:
Your mind fascinates me.
CC says:
Don’t be sarcastic.
Tara says:
Why don’t you block me then?










Every day the story continues in this spot until the end of March

LESS THAN HALF A DAY A short love story pt.6 - Christos Chrissopoulos

Wednesday, March 16, 2011

When the face is missing, the photograph remains a meaningless image. When the face is missing, how can you be sure that she really looked like your memory?

Vibed by: CC 4 views 2 comments comment |delete |follow






CC says:
Nothing more than the sweep of her hand passing over the knight’s cold metal limb.










Every day the story continues in this spot until the end of March

LESS THAN HALF A DAY A short love story pt.5 - Christos Chrissopoulos

Tuesday, March 15, 2011

I will write hastily about the only kiss, which was three kisses in a row, with lips half open, craving to succumb. And hands that were loosened in the last moment. And then a gentle, so polite, turn of the head.
Vibed by: CC 4 views 2 comments comment |delete |follow





Anonymous says:
Comment deleted by CC.
Tara says:
What had you written?










Every day the story continues in this spot until the end of March

LESS THAN HALF A DAY A short love story pt.5 - Christos Chrissopoulos

5. Tuesday, March 15, 2011

I will write hastily about the only kiss, which was three kisses in a row, with lips half open, craving to succumb. And hands that were loosened in the last moment. And then a gentle, so polite, turn of the head.
Vibed by: CC 4 views 2 comments comment |delete |follow





Anonymous says:
Comment deleted by CC.
Tara says:
What had you written?










Every day the story continues in this spot until the end of March

LESS THAN HALF A DAY A short love story pt.4 - Christos Chrissopoulos

Monday, March 14, 2011

We met, walked, got separated in different rooms, looked at each other, walked again, sat on facing seats and only in the end, when we could endure no more, only then, we touched flightily and with impatience shoulder-to-shoulder.

Vibed by: CC 4 views 2 comments comment |delete |follow






Tara says:
Are you receiving my comments?
CC says:
I’m not following you.
Tara says:
How are you?
CC says:
I’m fine.










Every day the story continues in this spot until the end of March

LESS THAN HALF A DAY A short love story pt.3 - Christos Chrissopoulos

Saturday, March 11, 2011

The first time, I just extended my hand looking at her green t-shirt; her gaze fixed on my face the whole time through. It didn’t last long, I left without impressions. Only with a premonition that was quickly disproved. The second time she was sitting in front of me, I was looking at her curved spine. At some point she reached across the table for a photo book of the painter I was researching in Brussels. I couldn't tell… Was she really turning the pages for my sake?

Vibed by: CC 4 views 2 comments comment |delete |follow






Tara says:
I miss our day together. I didn’t know your painter died so young.










Every day the story continues in this spot until the end of March

LESS THAN HALF A DAY A short love story pt.2 - Christos Chrissopoulos

Friday, March 11, 2011

“What kind of wine?”. “Do you want salad?”. “Hold this please”. “Yes, separate bills please”. “This I will give back”. “You’ve been before?”. Words we could have spent in another way.
Vibed by: CC 4 views 2 comments comment |delete |follow






Tara says:
Why did you name me Tara?
CC says:
Just because. Why did you respond to it?











Every day the story continues in this spot until the end of March

LESS THAN HALF A DAY A short love story pt.1 - Christos Chrissopoulos

Thursday, March 10, 2011

Since Tara left Brussels, someone lives inside my head, sees through my eyes. I feel feet pounding on my chest. I feel them kicking hard and deep against my breastbone. I turned to take the bicycle -it was well past two- and I only worried about the cold air surrounding me like melted ice and flowing in through my jacket sleeves.

Vibed by: CC 4 views 2 comments comment |delete |follow






Tara says:
You seem to be in constant dialogue with me.
I’m back home. Terribly tired. I’ll be sleeping for a week )))
How was your trip to Athens ?
CC says:
What are you doing here? Why are you doing this?










Every day the story continues in this spot until the end of March

02/03/2011

En tout cas il nous faut penser - Sarah Posman over Anti-Oedipus

Tekst uitgesproken in Passa Porta op 2 februari 2010, tijdens de avond over de onlangs verschenen Nederlandse vertaling van de filosofische klassieker L’Anti-Œdipe (1972) van Gilles Deleuze en Félix Guattari.


Hoe recalcitrant Deleuzes schrijfstijl ook mag zijn, hoe tegendraads de opzet van een boek als Anti-Oedipus – dit is een boek waar al in zin drie gescheten en geneukt wordt - je mag het boek niet zomaar afdoen als voorbijgestreefd soixanthuitard-geweld. De kracht van Anti-Oedipus schuilt zonder twijfel in het enthousiasme, in de vitaliteit waarmee de twee filosoferende vrienden de dynamiek van een intellectueel en politiek kantelmoment proberen te vatten, maar het is allesbehalve een onbezonnen lofzang op een nieuw klimaat waarin van de vrije liefde, vrede en verandering alle heil werd verwacht.

Zoals duidelijk blijkt uit het televisie-interview Abécédaire, vat Deleuze zijn taak als filosoof en intellectueel allesbehalve licht op. De filosoof, vaak beschouwd als een typisch avant-garde denker, iemand die koste wat kost vooraan wil lopen en nieuw gebied wil verkennen, legt er de nadruk op het belang van traditie. Wie wil filosoferen, moet geschoold zijn in de filosofie. Je mag best – liefst! – een andere weg willen inslaan, maar dit kan enkel tot iets waardevols leiden als je begrijpt wat er in de mainstream op het spel staat. Het kost tijd en moeite om wat pretendeert nieuw te zijn te vatten, of het nu om een filosofische, maatschappelijke, politieke, artistieke of literaire vernieuwing gaat. Een leuk moment in Abécédaire is wanneer Deleuze de kijker – en Parnet – bijna als een schoolmeester op het hart drukt dat het hem vijf jaar heeft gekost om te begrijpen waar het in het werk van een literaire avant-gardist als Alain Robbe Grillet om gaat. Het hoeft u geen vijf jaar te kosten om Anti-Oedipus te begrijpen – al doe ik er zelf ondertussen al een jaar of acht over – maar het brengt op om, bij de lectuur van het boek, in het achterhoofd te houden dat hier twee auteurs aan het werk zijn wier liefde voor verandering en vernieuwing te groot was om er lichtzinnig mee om te springen.

Met het schrijven van Anti-Oedipus in de nasleep van mei ‘68, wilden Deleuze en Guattari, op dat moment allesbehalve studentikoze broekjes maar Franse intellectuelen van voorbij de veertig, onderzoeken wat ze als geëngageerde denkers aankonden met die plotse stroom van energie, het collectieve wakker-worden en de eis om een nieuwe wereld die hen had aangegrepen en verbaasd. In contrast tot Deleuzes filosofiestudenten op de barricades hadden de auteurs de bevrijding na de tweede wereldoorlog meegemaakt. Zij wisten hoe vluchtig het revolutionaire groepsgevoel was dat Parijs in de ban hield, hoe naïef de vreugde omtrent nakende verandering, hoe dichtbij de greep van het fascisme. Anti-Oedipus is niet zomaar een boek tegen de oude orde. Het is een optimistisch opstel over affirmatief denken en schrijven, een essay – oefening – om, in dialoog met de oude orde, een nieuwe kritische analyse voor te stellen.

Anti-Oedipus, dus, als positief, affirmatief boek. Je kunt het boek lezen als een ode aan het verlangen, en dan gaat het hier niet alleen over goesting, maar evenzeer over de intellectuele drang het leven te willen begrijpen, over een nieuwsgierigheid naar ervaringen die de grond onder onze voeten doen wankelen. Nu moet u zich daar vooral geen uitspattingen bij voorstellen. Deleuze was bijvoorbeeld helemaal geen enthousiaste reiziger; hij haatte het om deel te nemen aan academische conferenties omdat er toch nooit dialoog plaatsvond, enkel veel beleefdheidsblablabla. Ontdekken, gevolg geven aan het verlangen een ontmoeting aan te gaan met een persoon, een boek, of een theorie – en dus moeite te doen om verder dan jezelf te denken - deed hij het liefst vanuit zijn appartement in Parijs. Als er toch beweging aan te pas moest komen, dan liefst al wandelend.

In Anti-Oedipus klagen de auteurs de structurele obstructie van het verlangen aan en willen ze, door hun meerstemmig schrijven en wirwar van citaten en referenties aan denkers, aan literaire auteurs, en aan personages tonen hoe ze zelf verlangend te werk gaan. Het verlangen staat bij Deleuze en Guattari immers niet in het teken van gemis. Het gaat niet over iets dat ontbreekt, maar over de relaties die we elke dag met andere mensen, objecten, of maatschappelijke structuren aangaan. Verlangen, dat is aanraken, contact maken – verlangen is, in de terminologie van Anti-Oedipus, een productieproces. Deleuze en Guattari zouden een gebeurtenis als de Deleuze-avond van 2 februari een machine noemen: in de buik van Passa Porta wordt, door het met elkaar verbinden van verschillende onderdelen – sprekers, publiek, film, denken, dagdromen, geeuwen, de al dan niet comfortabele stoeltjes - de werkelijkheid van deze avond geproduceerd.

In Anti-Oedipus duiden de auteurs twee omstandigheden die de machinerie van het verlangen toelaten op volle kracht te draaien: de schizofrenie en het kapitalisme. Een productief, creatief verlangen manifesteert zich ongebreideld in het delirium van een schizofreen maar wordt, in een paranoïde toestand, beteugeld door het geloof in een meekijkende God, monarch, of vaderfiguur – door een psychoanalyticus die je uitlegt dat je eigenlijk net als iedereen gebukt gaat onder een Oedipuscomplex, castratieangst, penisnijd. Het is ironisch dat we met z’n allen op zoek gaan naar de duidelijkheid van zo’n diagnose aangezien we in een maatschappij leven die de vrije productie van het verlangen lijkt aan te moedigen. Zelden waren wij hier, in het Westen vrijer. Geen toorn Gods te vrezen, geen despoot meer te bespeuren. Integendeel, in ons kapitalistisch systeem lijkt de ongebreidelde productie de norm: hoe meer het geld stroomt, hoe mobieler en flexibeler de arbeider, hoe beter het met ons gaat. Alors on produit is het refreintje waarmee we opstaan en gaan slapen.

We neuriën dat rijmpje echter niet omdat de condities zo optimaal zijn en we allemaal vrij en ongebreideld de stroom van het verlangen volgen. Integendeel, net zoals de psychoanalyticus het gemis introduceert in het denken over onszelf, praat het kapitalisme ons een angst voor tekort aan – meer en meer en meer om maar niet te worden ingehaald door minder. Het is die angst die ervoor zorgt dat het creatieve verlangen afremt. De uitdaging van de schizoanalyse, de manier van kritisch denken die Deleuze & Guattari in Anti-Oedipus ontwikkelen, ligt er precies in om dit creatieve stromen van verlangen niet onmiddellijk uit handen te geven, om het niet te laten opereren in functie van de terreur van het perfecte gezinnetje, de Oedipale psychoanalyse, of de kapitalistische prestatielogica.

Deleuze en Guattari spreken in Anti-Oedipus helemaal niet als eenzame profeten van het verlangen. De auteurs koppelen hun filosofische traktaat aan andere machines die hetzelfde doel dienen. Een ervan, misschien wel de belangrijkste, is de literatuur. In Abécédaire stelt Deleuze droogweg dat hij altijd veel gelezen heeft. Hij beschouwt literaire werken als de katalysators van zijn denken – het zijn de dichters die de filosofen aanporren, la littérature, ça lui sert. In het interview noemt hij zijn grote literaire voorbeelden – Tsjechov, Melville, en Lawrence – zieners. Het zijn vitalisten die hem het leven laten zien zoals hij dat nooit eerder zag. Ze doen dat niet door universele waarheden mooi te verpakken, maar door de lenzen waardoor we normaal gezien kijken naar het subject, de maatschappij en de taal bij te slijpen of een andere kleur te geven. Ze tonen hem met andere woorden geen uniform organisch principe, geen Kantiaanse transcendente categorieën, geen ideeën à la Plato of Lacaniaanse structuren maar iets van het primitieve moeras, de chaos, de poel van verschil dat voor Deleuze het leven is en dat hij in Anti-Oedipus ‘lichaam zonder organen’ noemt.

Doorheen zijn oeuvre klopt Deleuze bij verschillende auteurs aan en schakelt hij de literatuur om vercshillende redenen in zijn denkproces in. In Abécédaire zien we de Deleuze van critique et clinique, een essaybundel uit 1993, waar de denker met de steeds fragielere gezondheid het horten en stoten van Samuel Becketts stijl bezingt. In het stotteren van Becketts eenzame individuen herkent hij zijn zoektocht om met en in de taal op zoek te gaan naar wat er buiten de taal ligt – naar talige chaos. In Anti-Oedipus ligt net als in het boek dat Deleuze en Guattari kort daarna over Kafka schreven, en in het tweede Kapitalisme en schizofrenie-luik, de nadruk op de collectieve aard van een literaire machine. In Der Prozess toont Kafka ons bijvoorbeeld hoe ongrijpbaar de instantie ‘justitie’ is door de rechtspraak niet als abstracte, transcendente wet te laten functioneren maar als de machine(assemblage) gerechtigheid, die zowel de juridische uitspraken, wetteksten, rechters, advocaten als gerechtsgebouwen etc. omvat. En in Anti-Oedipus voeren de auteurs Henry Miller en D.H. Lawrence op als alternatieve therapeuten en laten ze hen de niet in te tomen stroom van het verlangen – in hun geval vaak letterlijk de goesting – bezingen.

Een avondje op de bank met Henry Miller mag nu wel erg voorbijgestreefd lijken en zal uiteraard weinig verandering teweegbrengen. Echter, de kern van het Anti-Oedipus project, het idee dat om creatief te kunnen denken en leven we niet moeten afbakenen, inkapselen, op- of uitsluiten, maar relaties moeten aangaan, uit wandelen gaan, contact maken, een niet te voorspellen productie op gang brengen door in een absurde machine te stappen – dat lijkt me precies wat ons te doen staat. Dus, lief publiek, lees en denk, zucht en kreun, schijt en neuk – maak iets.

Sarah POSMAN

03/12/2010

amin maalouf in flagey - 2.12


Op donderdag 2.12 praatte de Frans-Libanese auteur Amin Maalouf met Jacques Bauduin voor een uitverkochte zaal in Flagey.
Marc Maes van het Brusselse Overleg- en coördinatiecentrum voor het officieel onderwijs (BOCO) vat het gesprek samen.


Verlichting, islam, talen en literatuur

In een tot de nok gevulde studio 4 van het Flageygebouw woonde Boco op 02 12 2010 voor u een gesprek bij met de Libanees-Franse auteur Amin Maalouf. Hij werd bekend met zijn doctoraatstudie over de Kruistochten gezien vanuit Arabische bronnen, met een epiloog over de vraag waarom het Westen na die gebeurtenissen de hoogstaande Arabische cultuur overvleugelde en de Arabisch-islamitische wereld stagneerde. Zijn “Identités meurtrières” is ondertussen een klassieker geworden in het Franse onderwijs: fierheid over eigen taal en cultuur zijn uiteraard positieve dingen, maar niet als het terugvallen op die eigen identiteit tot fanatismen leidt. Ook in zijn net in het Nederlands vertaalde “Le dérèglement du monde” staat die bedreiging van de westerse idealen van de Verlichting door nationalismen, fanatisme en terrorisme centraal; die op hun beurt leiden er dan weer toe dat tot nu toe als zeer open en verdraagzaam bekend staande landen duidelijk aan een ommekeer toe zijn. Toch bewijst de verkiezing van Obama als eerste gekleurde president van de USA dat het verhaal complex is.

Wordt onze westerse verlichte kijk op een democratische wereld moe ? Het lijkt wel of heel de twintigste eeuw, zeker na het Verdrag van Versailles, een festival van gemiste kansen is: tot voor WOI bestond er immers een grote vooruitgangsdroom door de ontwikkeling van techniek, industrie, wetenschap en kunst. Na het vredesverdrag ( “a peace to end all peaces”) leek het wel of het Westen een volledig andere en verkeerde koers uitging. Zo zeker in verband met het verder koloniseren of “mandateren” van gebieden in heel de wereld en speciaal ook in het Midden-Oosten.

Anderzijds stelt Maalouf ook dat het probleem van de Arabische wereld het ontbreken van een politiek model is: het is weinig of niet gebruikelijk dat machthebbers in die landen door verkiezingen hun macht verliezen; zij ontlenen hun legitimiteit eerder aan clans, steun van buitenlandse mogendheden, dan wel aan het vertrouwen van het volk. Toch denkt hij tegelijk dat men teveel belang hecht aan de vermeende invloed van godsdienst op het gedrag van (deze) volkeren. Er bestaan immers veel tendenzen die in religieuze teksten alleen die passages gebruiken die nuttig zijn voor de actuele politieke doelstellingen. Men volgt de volledigheid van de teksten zeker niet, maar beschouwt ze eerder als een bijna “neutrale” verzameling van bedenkingen waaruit men een keuze maakt. “Les religions sont que les hommes en font”.

Naast de drie hoofdredenen waarom de islamitische wereld stagneerde na de westerse kruistochten (innerlijke verdeeldheid met zeer diverse etnieën, een gebrek aan machtsdeling, feodaliteit en beginnende “westerse” burgerrechten, en zich afsluiten voor de cultuur en wetenschap van de bezettende westerse krachten) vermeldt Maalouf deze avond vooral het gebrek aan een duidelijke machtsafbakening tussen religie en politiek. De westerse middeleeuwse investituurstrijd tussen keizer en paus leidde tot duidelijke afspraken en points of no return. Gezien er geen centraal gezagsorgaan in de islam is, draaiden en draaien conflicten tussen kalief en sultan meestal uit op onderdanigheid van de eerste.

Immigratieproblemen hebben naast religie vooral te maken met talige diversiteit. Er is wat dat betreft noodzaak aan een duidelijk charter met duidelijke regels. Zo stelt Maalouf dat de kennis van de taal van het land waar men zich vestigt een verplichting moet zijn; anderzijds is het een absoluut mensenrecht dat men zijn eigen taal en cultuur daarnaast mag blijven koesteren en positieve elementen daaruit kan aanbieden als verrijking voor iedereen. Hij kan zich dan ook sterk terugvinden in de Europese aanbeveling dat elke EU-burger op zijn achttiende minstens drie talen zou beheersen: zijn moedertaal, een tweede “persoonlijke adoptietaal” en als derde waarschijnlijk het Engels. Slechts als derde, want anders zou iedereen kunnen volstaan met de feitelijke wereldtaal als tweede, die immers grotendeels ook de werktaal binnen de EU geworden is (met respect voor de 22 andere talen, maar dan niet als werktalen). Men overschatte ook het belang van de wereldtaal Engels niet: die levert uitstekende diensten als het is om iets te kopen; als je echter iets wil verkopen, dan ken je best ook de taal van degene die je wil verleiden !

Tot slot onderstreept hij evenzeer het belang om veel duidelijker cultuur en kunst centraal te stellen in Europa. De eenentwintigste eeuw moet niet spiritueel of religieus zijn, zoals André Malraux ooit stelde, maar cultureel. De cultuur houdt zich immers bezig met fundamentele vragen zoals waar we naartoe willen, welke dingen uit het verleden we willen bevestigen, wat we willen veranderen. Literatuur, film, opera .. helpen ons ook om af te stappen van vooroordelen en clichés over anderen, maar laten ons van binnenuit zien wat er bij de diverse mensen in de diverse culturen leeft.

Marc Maes voor BOCO (www.bocobrussel.be)

24/11/2010

aleksej in letland


Auteur-theatermaker Frank Adam verbleef in het Letse Ventspils op uitnodiging van Het beschrijf en Les Lettres Européennes. Hij werkte er zijn theatertekst Aleksej af. Tijdens zijn verblijf maakte hij, totaal onvoorzien, kennis met de Letse Literaire Voorzienigheid. Deze tekst, geschreven naar aanleiding van zijn verblijf, werd gepubliceerd in de Standaard der Letteren op 19 november 2010.


Het moet ergens aan het eind van de vorige eeuw op weg naar Brugge zijn geweest, tussen de Sint-Trudoabdij en hotel-feestzaal 'Lodewijk van Male'. Net zoals Paulus destijds op weg naar Damascus werd ik getroffen door een visioen, in mijn geval een Aleksej-flits. Een bespreking van een Peter de Grote-biografie op de radio deed me prompt parkeren en in zeven haasten naar pen en papier scharrelen. 'Vader staat macht af - zoon bedankt vriendelijk - vader vermoordt zoon op gruwelijke wijze.' Het geschetste conflict tussen vader tsaar Peter de Grote en zoon tsarevitsj Aleksej leek me zo uitzonderlijk en tegelijk zo algemeen menselijk, zo absurd en tegelijk logisch, zo hartverscheurend en ontroerend dat ik mijn Aleksej moést schrijven. Tegen beter weten in - want een klassiek geconcipieerd, vier uur durend theaterstuk, met tien personages en evenveel acteurs krijg je in Vlaanderen of waar ook niet zonder de nodige vertraging op de planken.

Russissche Soprano's

Zeventien theaterseizoenen later, uitgerekend in het jaar dat het stuk in première moet gaan in jeugdtheater Het Paleis in Antwerpen, nodigen Het beschrijf en de Franse literaire organisatie Les Lettres Européennes me uit om een tijdlang writer in residence te worden in de Oostzeehaven Ventspils in de Baltische staat Letland, een omgeving die niet echt lijkt voorbestemd om er een Russische Hamlet af te werken.

Maar wat blijkt? Na een mislukte poging van Ivan De Verschrikkelijke is het uitgerekend Peter de Grote die Letland en omgeving voor het eerst bezette, tijdens zijn Grote Noorse Oorlog met de toenmalige grootmacht Zweden. Daarna wordt er met zoveel Russisch vuur gerussificeerd en gedeporteerd dat het huidige Letland veertig procent Russen telt. Een etnische groep zonder zeggingskracht in het Letse parlement weliswaar, maar in de straten van de hoofdstad Riga glijden Russische Soprano's je in glimmende Mercedessen en zijden maatpakken oppermachtig voorbij.

Bij mijn aankomst bespeur ik met andere woorden wel enige sympathie voor mijn Aleksej, die filosofische vraagtekens plaatst bij de aangeboren machoexpansiedrang van de Russen. Bovendien, zo ontdek ik in de biografie van Peter de Grote, is Aleksej destijds voor zijn vader gevlucht via uitgerekend... Riga.

De opeenvolging Letse toevalligheden tijdens mijn Aleksej-residentie wordt na verloop van tijd zo wetmatig dat ik haast begin te geloven in een Letse Literaire Voorzienigheid. Ook Catharina, de maîtresse en latere vrouw van Peter de Grote, blijkt afkomstig uit dit land van eeuwig zingende berkenwouden en zwartbruine moerassen.

Complex psychologisch profiel

De schrijversresidentie in Ventspils is gelegen in een idyllisch gerestaureerd stadscentrum met een gezonde portie achttiende-eeuwse couleur locale. Onder de residerende schrijvers bevinden zich Wit-Russische collega's, met wie ik uitvoerig kan redekavelen over het leven en de werken van Peter I.

'Volksvernietiger of visionair? Usurpator of idealist? Schurk of verlicht despoot?' Boven enkele pruttelende spiegeleieren legt Sergej uit dat, net als de historici overal ter wereld, de man in de Russische straat het niet zo goed weet wat Peter de Grote betreft. Brengt zijn land moderne westerse wetenschap, cultuur en verlichting bij, maar katapulteert het met zijn legendarische bruutheid geregeld terug naar de Russische middeleeuwen. Laat met hoofdstad Sint-Petersburg een architecturale parel uit het moeras verrijzen, maar fundeert die op de beenderen van een miljoen arbeiders die tijdens de bouw omkomen van honger, kou en uitputting. Schenkt Rusland een vloot en een leger die de grootmacht Zweden verslaan, maar vernietigt in al zijn ijver naar verhouding meer Russische zielen dan opperschurk Stalin. Vaardigt een decreet uit dat kindermoord verbiedt, maar vermoordt zijn eigen zoon. En o, of ik het dan niet wist van Poesjkin en Tolstoj? Dat beide Russische literaire reuzen een roman waren begonnen over Peter de Grote - de een portretteerde de tsaar als een hartelijke, impulsieve, hardwerkende pater familias die zich overal mee bemoeit; de ander sprak van 'die dronken syfilislijder met zijn paljassen' - maar dat geen van de twee voldoende greep kreeg op zijn held om zijn roman ooit te kunnen voltooien.

Oppermachtig heersende vader

Terwijl Sergej zijn spiegeleieren in zijn bord laat glijden, bedenk ik bij mezelf dat de taak waarmee ik mezelf heb belast niet min is: als het de Russen zelf na honderd jaar al niet lukte de psychologie van Peter de Grote te doorgronden, hoe kreeg ik de klus in Vlaanderen dan geklaard, in minder dan zeventien theaterseizoenen? Wat is er met Peter, dat niemand hem doorgrond krijgt? Wat te denken van een vader die regeert over een rijk dat zich uitstrekt van de Noordelijke IJszee tot de Kaspische zee, die het bevel voert over een leger dat zijn land de status van grootmacht en hemzelf de titel van god ad interim verleent - wat te denken van zo'n oppermachtig heersende vader die dan in een kerker voor zijn zoon gaat staan, hem doordringend in de ogen kijkt en in alle ernst vraagt: 'Ben jij bang voor mij?'

En hoe ondoorgrondelijk is Aleksejs moeder, door tsaar Peter opgesloten in een klooster, maar in het geheim bezocht door menig geestelijke, militair en bojaar die Peter een kwaad hart toe droeg. Wat te denken van zo'n moeder die haar radeloze zoon ontvangt en hem op het hart drukt dat hij niet moet vluchten voor zijn vader, maar zijn vader voor hém moet laten vluchten? Zoals een rechercheur consequent elke ondervraagde van misdaad verdenkt, zo volgt een auteur elk van zijn personages tot in het zwartst van zijn gedachten.

Tactiek van de verschroeide aarde

Ik herlees mijn Aleksej en de Peter de Grote-biografie met Medea ernaast als handleiding. Dankzij dit 'klassiek geworden scheidingsdrama in zijn hevigste vorm' staar ik recht in de ziel van Aleksejs moeder. Peter de Grote voelde een intens geluk bij de geboorte van zijn zoon en droomde oprecht van hem als troonopvolger. Aleksejs filosofische getwijfel, door zijn verbannen moeder heimelijk aangewakkerd tot politieke rebellie, moet Peter dubbel hebben getroffen.

In de martelkamer van de scheiding is het een beproefd procédé: de op wraak beluste afgewezen moeder doorboort het hart van de vader met de haat van zijn geliefde zoon. Maar de zwakke rebel Aleksej maakt tegen zijn machtige vader geen schijn van kans. Peter doodt zijn zoon, maar Aleksej wordt eigenlijk evengoed door zijn intrigerende moeder vermoord. Zo wordt Aleksej het slagveld waarop zijn ouders hun oorlog uitvechten. Zij trekken zich uit zijn leven terug met de tactiek van de verschroeide aarde. Alle in Aleksej nog aanwezige liefde die de andere ouder nog kan dienen, moet genadeloos worden vernietigd.

Het signaal van een onverwachte mail uit het verre Vlaanderen doorbreekt de Letse zolderkamerstilte. Officieel nieuws dat de zoveelste Aleksej-cirkel rond lijkt te maken en dat mij ogenknipperend achterover laat leunen.

Voor mijn terugkeer sta ik aan het Oostzeestrand nostalgisch naar het botenverkeer voor Ventspils te staren. Er is iets buitenwerkelijks aan mijn residentie hier in Letland, bedenk ik terwijl een Russische olietanker de Baltische Zee op glijdt. Alsof alle grondstoffen en mineralen uit het Rusland van mijn verbeelding hier, na zeventien jaar van voorbereiding, worden verzameld, geladen en verscheept naar een première in den vreemde, een opvoering buiten de tijd. Net als Aleksej, die na het verraad van zijn geliefde en de vernederingen door zijn vader wordt overvallen door een verlossend gevoel van harmonie, voel ik in mij ineens een zee van geduld, die mij met gemak nog eens zevenmaal zeventien jaar zou kunnen laten wachten op de eerste hardop gesproken repliek van mijn gekwelde Russische held.

Frank Adam

De theatertekst Aleksej werd geselecteerd voor het Theaterfestival 2011

De voorstelling zal op 29 en 30 augustus 2011 opnieuw te zien zijn in het Kaaitheater in Brussel.



De tekst van Frank Adam werd eerder bekroond met de Prijs Letterkunde voor Dramatische Kunst van de Provincie West-Vlaanderen 2010 en werd in Duitsland geselecteerd op het Kaas & Kappes Theaterfestival voor de Stückepool 2011.

uit de pers

‘Frank Adam schreef een tijdloos verhaal over tegendraadse puberzonen en radeloze vaders. Een uitzonderlijke tekst.’ (De Morgen)

‘Aleksej van Frank Adam levert een uitzonderlijke toneelavond op bij Het Paleis. Een knappe voorstelling, een rijke tekst.’ (Cobra.be)

‘Frank Adam geeft de acteurs prachtige woorden in de mond die als olie op hun spelvuur werken. Een ode aan klassiek repertoiretoneel. (Knack)

‘Met Frank Adam heeft onze toneelschrijfkunst weer iemand die aantoont dat een schrijver een volwaardig lid kan zijn van een ensemble wanneer hij schrijft in functie van speelbaarheid. Zijn indrukwekkendste toneelstuk.’ (Theatermaggezien)

‘Aleksej is een gebeurtenis. Zoveel generaties acteurs op één scène geeft een levensdynamiek die je nog zelden ziet. Het is de kracht van een ensemble. Daarmee maakt Aleksej zijn hoge verwachtingen zeker waar. (De Standaard)

16/11/2010

To belge or not to belge ?



Hebben 'Belgische schrijvers' wel (nog) iets met elkaar gemeen? Heeft hun Belgische nationaliteit nog enige betekenis voor hun schrijverschap? Wat roept een term als “Belgische literatuur” bij hen op, en is dat ooit een zinnige term geweest? In hoeverre kennen zij de literatuur aan de andere kant van de taalgrens? Op deze en andere vragen geven Serge Delaive, Stefan Hertmans, Caroline Lamarche en Anne Provoost hun persoonlijke antwoord tijdens de avond To belge or not to belge? in Passa Porta op woensdag 24 november 2010. Aarzel niet om hieronder alvast uw commentaar te laten!
//
La nationalité belge a-t-elle une signification pour "les écrivains belges"? En a-t-elle jamais eu ? Que regroupe l’appellation “littérature belge” ? Est-elle encore sensée ? Les lecteurs connaissent-ils la littérature de leurs voisins ? Et les auteurs, se lisent-ils d’une communauté à l’autre ? Serge Delaive, Stefan Hertmans, Caroline Lamarche et Anne Provoost essaieront de répondre à ces questions pendant la soirée To belge or not to belge, à Passa Porta le mercredi 24 novembre 2010. N'hésitez pas à laisser vos commentaires en-dessous de cet article!

Nederlandse tekst onderaan

Extrait de la préface de Piet Joostens (Het beschrijf) pour MEET n° 14, 'Bruxelles', Saint-Nazaire

La Belgique a toujours produit beaucoup d’écrivains, et beaucoup d’écrivains intéressants, mais une littérature belge n’a jamais vraiment existé. L’élément qui saute aux yeux pour expliquer l’absence d’une littérature nationale en Belgique est l’absence d’une langue propre, commune à tous, mais cette explication ne peut suffire à elle seule. Les nations modernes se sont toujours montrées extraordinairement inventives dans la construction de leurs identités culturelles, alors, pourquoi un pays jeune comme la Belgique, créé au milieu d’un siècle qui brillait par l’essor des littératures nationales, n’a-t-il pas réussi à développer un système littéraire plurilingue ?

Les nationalistes flamands purs et durs répondront sans aucun doute que l’establishment de l’époque (francophone) n’était tout bonnement pas intéressé par une culture parlant la langue des Flamands, qu’il a cherché d’emblée à fonder une Belgique unilingue francophone. Ils rappellent volontiers toutes sortes de déclarations hostiles au néerlandais, telle la fameuse « La Belgique sera latine ou ne sera pas » du conservateur invétéré que fut le cardinal Mercier.Mais comme si souvent en Belgique, la réalité est ici aussi beaucoup plus complexe. Si nous en croyons les Mémoires du romantique anversois Henri Conscience, le parrain, nota bene, de la littérature flamande et l’un des héros du nationalisme flamand, les premiers gouvernements belges ont été particulièrement favorables au développement d’une littérature belgo-flamande néerlandophone à côté d’une littérature francophone. Conscience, l’auteur du Lion des Flandres, qui allait entrer dans l’histoire comme «l’homme qui apprit à son peuple à lire», était le fils d’un soldat deNapoléon natif de Besançon et d’une flamande illettrée. Dans Histoire de ma jeunesse (1888), il raconte comment, après sa participation enthousiaste à la lutte d’indépendance belge (1830-1831), il s’est lassé de ses versifications hautement romantiques en français et s’est mis à écrire des récits dans sa langue maternelle, poussé, d’après ses dires, par un « sentiment national belge ». Lorsque Conscience publie son premier roman, il est aussitôt convoqué au Palais par Léopold Ier, qui lui glisse 400 francs et l’encourage (en français il est vrai) à continuer à écrire, en flamand avant tout, pour l’honneur et la plus grande gloire de la jeune Belgique : «Vous écrivez le flamand? Cela me réjouit de voir que l’on pratique aussi la langue de la Flandre, cette partie si prestigieuse de la patrie. Étant donné qu’il existe en Belgique plus d’une langue, il est bon que l’on use des deux, afin de doter ses peuples d’une culture et de renforcer notre nationalité.»

Au cours de la même audience, le souverain belge charge Conscience de veiller à utiliser dans sa prose le moins possible de mots français et latins, de façon à se distancer de la mode précieuse qui régnait à l’époque dans la littérature hollandaise. La littérature écrite en néerlandais par les sujets de Léopold Ier devait avoir un ton très flamand, de façon à être perçue comme belge par excellence. Dans la jeune Belgique, la littérature était encore une affaire d’État.
Bien que le français soit resté jusqu’en 1898 la seule langue reconnue, et que l’enseignement secondaire ne se soit néerlandisé en Flandre, graduellement, qu’à partir de 1883, en littérature, la couleur locale flamande a été stimulée plutôt que contrecarrée. Le nouveau royaume avait intérêt à affirmer sa légitimité sur le plan artistique également, et cela se fit entre autres en se distinguant culturellement de ses précédents maîtres (français et néerlandais). Les écrivains belges francophones qui faisaient autorité à l’époque ont eux aussi longtemps truffé leurs oeuvres d’ingrédients flamands pour souligner leur «belgitude» originelle et se différencier de la littérature franco-française : il suffit de penser à des titres tels La légende d’Ulenspiegel de Charles De Coster, Bruges-la-morte de Georges Rodenbach, Nos Flamands, le premier roman de l’écrivain naturaliste Charles Lemonnier, Les Flamandes d’Emile Verhaeren, La comtesse des digues de Marie Gevers et Masques ostendais du dramaturge Michel de Ghelderode. Aussi surprenant que cela puisse paraître, les éléments culturels wallons y étaient bien moins représentés. Pour une part, sans aucun doute parce les écrivains belges les plus connus étaient de souche flamande, mais certainement aussi parce que les références flamandes avaient un je-ne-sais-quoi d’exotique, très reconnaissable à l’étranger par son altérité, et qui passait pour « typiquement belge ». Les nationalistes flamands ne l’entendront peut-être pas avec plaisir, mais, historiquement parlant, beaucoup d’éléments plaident justement pour considérer la littérature flamande (bilingue à l’origine) comme un produit culturel belge par excellence.

Aujourd’hui, ce « fantasme flamand» constitutif de la littérature belge a quasi totalement disparu, tant dans la littérature francophone que néerlandophone. Au cours des dernières décennies, seuls quelques auteurs thématisent encore leur «belgitude », que ce soit sur le plan linguistique ou narratif (Hugo Claus, Pierre Mertens, Tom Lanoye, Jean-Pierre Verheggen ou Patrick Roegiers – très renommés par ailleurs – font exception à la règle). La production littéraire francophone en Flandre est pratiquement éteinte, les collaborations artistiques entre écrivains belges francophones et néerlandophones sont plus rares que jamais, il n’existe pas de politique littéraire commune, et les écrivains belges connaissent de moins en moins bien les oeuvres de leurs compatriotes de l’autre langue. On peut le regretter, bien sûr, comme on peut regretter le manque d’intérêt de quelqu’un pour son plus proche voisin. Mais regretter qu’il n’existe pas de véritable «littérature belge» n’est plus d’actualité. Les Lettres flamandes et les Lettres belges d’expression française se portent bien, et la plupart des auteurs ne s’embarrassent plus des frontières régionales, nationales ou linguistiques.

Les textes de cette publication ont été rassemblés à Passa Porta, l’un des rares endroits en Belgique où des écrivains belges flamands et francophones se rencontrent et collaborent de temps à autre autour de projets artistiques. Passa Porta est une maison belge, dans le sens que des collaborateurs tant flamands que francophones y travaillent, mais elle ne s’appelle pas pour rien «Maison internationale des littératures». En cette Maison, des écrivains belges flamands et francophones de différentes générations sont présentés au public dans un contexte de dimension internationale, où la qualité et la pertinence littéraire importent plus que l’origine ou la représentativité identitaire. Durant le Festival Passa Porta bisannuel comme au sein du programme saisonnier de Passa Porta, de nombreuses occasions sont offertes aux écrivains et aux lecteurs de Belgique de faire connaissance les uns avec les autres ainsi qu’avec des penseurs et des auteurs du monde entier. Une ville telle que Bruxelles, au centre de la Belgique et de l’Europe, est le lieu idéal pour ce faire. Bruxelles n’est-elle pas avant tout une « ville passage », une ville qui ne peut imposer d’identité unidimensionnelle, une ville où une diversité de langues et de cultures peuvent à souhait se croiser, se confronter et se ressourcer ?
(Traduction : Danielle Losman)

NEDERLANDS

Fragment uit het voorwoord van Piet Joostens (Het beschrijf) voor MEET n° 14, 'Bruxelles', Saint-Nazaire (Frankrijk)

België heeft altijd veel en veel interessante schrijvers voortgebracht, maar een Belgische literatuur heeft nooit werkelijk bestaan. De meest voor de hand liggende verklaring voor de afwezigheid van een nationale literatuur in België is het ontbreken van een eigen, gemeenschappelijke taal, maar die verklaring alleen kan niet volstaan. Moderne naties hebben zich altijd bijzonder inventief getoond in de constructie van culturele identiteiten, dus waarom zou een jong land als België, ontstaan in het midden van de eeuw die uitblonk in het cultiveren van nationale literaturen, er niet in slagen om een meertalig literair systeem te ontwikkelen?

Verstokte Vlaams-nationalisten zullen ongetwijfeld antwoorden dat het toenmalige (Franstalige) Belgische establishment gewoon niet geïnteresseerd was in een cultuur in de Vlaamse volkstaal en dat het van meet af aan een eentalig Frans België nastreefde. Zij brengen vooral graag allerlei Nederlandsvijandige uitspraken in herinnering, zoals het beruchte ‘La Belgique sera latine ou ne sera pas’ van de aartsconservatieve kardinaal Mercier. Maar zoals zo vaak in België is de realiteit ook hier veel complexer. Als we de memoires van de romantische Antwerpenaar Henri Conscience, nota bene de godfather van de Vlaamse literatuur en een van de helden van het Vlaamse nationalisme, mogen geloven, waren de eerste Belgische regeringen de ontwikkeling van een Nederlandstalige Vlaams-Belgische literatuur naast een Franstalige juist bijzonder genegen. Conscience, de auteur van De leeuw van Vlaanderen die de geschiedenis in zou gaan als ‘de man die zijn volk leerde lezen’, was de zoon van een soldaat van Napoleon uit Besançon en een ongeletterde Vlaamse vrouw. In Geschiedenis mijner jeugd (1888) vertelt hij hoe hij na zijn enthousiaste deelname aan de Belgische onafhankelijkheidsstrijd (1830-1831) genoeg kreeg van zijn hoogromantische Franse verskunst en verhalen in zijn moedertaal begon te schrijven, naar eigen zeggen gedreven door zijn Belgisch ‘nationaal gevoel’. Wanneer Conscience zijn romandebuut publiceert, wordt hij prompt ten paleize ontboden door Leopold I, die hem 400 francs toestopt en hem (weliswaar in het Frans) aanmoedigt om ter meerdere eer en glorie van het jonge België vooral in het Vlaams te blijven schrijven: ‘Gij schrijft Vlaamsch? Het verheugt mij te zien, dat men ook de taal van Vlaanderen, van dit aanzienlijke gedeelte des vaderlands, beoefent. Vermits er in België meer dan ene landstaal bestaat, is het goed dat men zich van beiden, tot de algemeene beschaving des volks en tot staving onzer nationaliteit, bediene.’

Tijdens dezelfde audiëntie draagt de Belgische vorst Conscience zelfs op om in zijn proza zo weinig mogelijk Latijnse en Franse woorden te gebruiken, zodat hij zich kan onderscheiden van de toenmalige precieuze mode in de Hollandse literatuur. De in het Nederlands geschreven literatuur van Leopolds onderdanen klonk met andere woorden best zo Vlaams mogelijk, zodat ze als bij uitstek Belgisch kon worden gepercipieerd.

In het jonge België was literatuur nog een affaire d’État. Ook al was het Frans tot in 1898 de enige erkende landstaal en werd het middelbare onderwijs in Vlaanderen pas vanaf 1883 geleidelijk aan vernederlandst, toch werd de Vlaamse ‘couleur locale’ van de literatuur in België eerder gestimuleerd dan gedwarsboomd. Het nieuwe koninkrijk had er veel baat bij om zich ook in artistiek opzicht te legitimeren, en dat gebeurde onder meer door zich cultureel te onderscheiden van zijn vorige (Franse en Nederlandse) overheersers. Ook toonaangevende Franstalige Belgische schrijvers gebruikten lange tijd volop Vlaamse ingrediënten om hun originele ‘belgitude’ te onderstrepen en een verschil met de Franco-Franse literatuur te maken: denk maar aan titels als La légende d’Ulenspiegel van Charles De Coster, Bruges-la-morte van Georges Rodenbach, Nos flamands, het debuut van de naturalist Charles Lemonnier, Les Flamandes van Emile Verhaeren, de roman La comtesse des digues van Marie Gevers of Masques ostendais van de toneelschrijver Michel de Ghelderode. Opvallend genoeg werden de Waalse cultuurelementen veel minder ingezet. Voor een stuk ongetwijfeld omdat de bekendste Belgische schrijvers een Vlaamse achtergrond hadden, maar zeker ook omdat Vlaamse referenties een exotisch je-ne-sais-quoi hadden dat door zijn andersheid in het buitenland goed herkenbaar was en voor ‘typisch Belgisch’ door kon gaan. Vlaams-nationalisten zullen het waarschijnlijk niet graag horen, maar er valt historisch gesproken veel voor te zeggen om juist de (oorspronkelijk tweetalige) Vlaamse literatuur te beschouwen als een Belgisch cultuurproduct par excellence.

Vandaag is dit constitutieve ‘Vlaamse fantasme’ in de Belgische literatuur zo goed als helemaal uitgewerkt, zowel in de Franstalige als in de Nederlandstalige literatuur van Belgische bodem.Ook zijn er de laatste decennia nog maar weinig auteurs die hun ‘belgitude’ taalkundig of inhoudelijk thematiseren (Hugo Claus, Pierre Mertens, Tom Lanoye, Jean-Pierre Verheggen of Patrick Roegiers zijn – weliswaar bekende – uitzonderingen op de regel). De Franstalige literaire productie in Vlaanderen is zo goed als uitgedoofd, de artistieke samenwerkingen tussen Franstalige en Nederlandstalige Belgische schrijvers zijn schaarser dan ooit, er is geen gezamenlijk literair beleid, en Belgische schrijvers zijn steeds minder bekend met het werk van hun anderstalige landgenoten. Men kan dit zeker betreuren, zoals men het gebrek aan belangstelling voor iemands naaste buren kan betreuren. Maar betreuren dat er geen werkelijke ‘Belgische literatuur’ bestaat, is niet meer van deze tijd. De Vlaamse en Franstalig Belgische letteren doen het goed, en het merendeel van de auteurs laat zich nauwelijks nog iets gelegen aan taal- en landsgrenzen.

De teksten in deze publicatie werden verzameld in het Brusselse literatuurhuis Passa Porta, een van de weinige plekken in België waar Vlaamse en Franstalig Belgische schrijvers elkaar ontmoeten en af en toe samenwerken rond artistieke projecten. Passa Porta is een Belgisch huis, in de zin dat er zowel Franstalige als Vlaamse medewerkers actief zijn, maar het noemt zich niet voor niets ‘internationaal literatuurhuis’. Het is de plaats waar Vlaamse en Franstalige Belgische schrijvers van verschillende generaties worden gepresenteerd in een internationaal georiënteerde context, waarbij literaire kwaliteit en relevantie belangrijker zijn dan herkomst of identitaire representativiteit. Zowel op het tweejaarlijkse Passa Porta Festival als binnen het seizoensprogramma van het literatuurhuis zijn er volop gelegenheden waarbij schrijvers en lezers uit België kunnen kennismaken met elkaar en met denkers en schrijvers uit de hele wereld. Een stad als Brussel is daar binnen België en Europa een ideale locatie voor. In de eerste plaats is Brussel immers een ville passage, een stad die geen duidelijke identiteit kan opdringen, maar waar verschillende talen en culturen elkaar volop kunnen kruisen, kunnen botsen én vernieuwen.

29/06/2010

marc reugebrink bericht uit estland (4)

Marc Reugebrink, de auteur van Het grote uitstel (Gouden Uil 2008) verbleef in juni 2010 in Käsmu aan de Estse kust. Hij werkte er aan zijn volgende roman. Zijn residentie kwam tot stand dankzij een uitwisseling van Het beschrijf. Dit is zijn slotbijdrage.

Käsmu week 4 (slot): vuur, laarzen en lichte wanhoop



Feest! Nu ging ik het meemaken: de midzomerzonnewende volgens de Esten. Na dagen van stilte in het huis, kwam er plotseling volk, zoveel volk dat ik me even afvroeg waar die eigenlijk allemaal precies sliepen: twee jonge paren met kinderen, waaronder een baby. Er liep ineens een hond door het huis. Er was nog een wat ouder paar — enfin, ik vrees dat ze van mijn leeftijd waren. Wat men in de spiegel weigert te zien, ziet men dan plotseling in wat generatiegenoten blijken te zijn. Aanvankelijk was me niet helemaal duidelijk wat bij wat hoorde: welke kinderen bij welke ouders, wie eigenlijk de baasjes waren van de oude hazewind. Die hond keek aanvankelijk wat vreemd op toen ik hem in het Nederlands toesprak, maar uiteindelijk is het toegesproken worden door hondenliefhebbers ook voor honden een universele aangelegenheid. Ik ben hem goed gezind, dat is wat telt. Als ik nu met mijn huurauto de tuin in kom gereden, word ik kwispelstaartend begroet. Ik denk dat hij hoort bij het koppel zonder kinderen, bij mijn vermoedelijke generatiegenoten dus.


Want alweer kwam het door geschutter niet werkelijk tot officiële begroetingen hier in huis, tot wat je kennismaking zou kunnen noemen. Ik, inmiddels wat kopschuw geworden door schrikreacties van eerdere tijdelijke bewoners van het huis als ik 's ochtends de aanwezigen in de keuken groette of als ik met uitgestoken hand op nieuw aangekomenen afstapte, ik glijd nu min of meer door de gang en de eetkamer, klaar om vriendelijk te glimlachen naar een ieder die mij wil opmerken, maar zonder me nog voor te stellen of zonder verder op eigen initiatief ruchtbaarheid te geven aan mijn aanwezigheid. En omgekeerd gebeurt er op dat vlak niks. Ik ben duidelijk een vreemde meneer die boven op zijn kamer zit te werken. Of ik geen last had van de kinderen, wilde de vrouw van een van de jongere koppels weten toen ik aan het koken was. Welnee. Daar had ik het bij moeten laten, bij 'welnee'. Maar ik voegde toe dat ik zelf een dochter had. Van vijf, zei ik. Dat ze hier geweest was, ging ik door. Hier in huis, probeerde ik nog. Het was al veel te veel van het goede. Om zoveel informatie had men niet gevraagd; de vraag was of ik geen last van de kinderen had, niet of ik zelf misschien kinderen had en waar die allemaal wel of niet geweest waren.


Het klinkt alsof de mensen hier onaardig zijn. Dat zijn ze niet. Maar er zijn hier codes die ik niet beheers, en waarvoor denk ik ook een inburgeringstraject van jaren nodig is om ze enigszins te leren kennen. Toch had ik in een foldertje gelezen dat op de feestdag van de 23ste juni zelfs vreemdelingen uitgenodigd werden om deel te nemen aan de festiviteiten, om aan te schuiven bij gigantische vuren, zo stelde ik me voor, en mee te drinken van een fles vodka die rond gaat. Zoiets.


Dus: feest! Ik keek ernaar uit. Ilvi Liive had voorspeld dat er van werken niet veel meer in huis zou komen. Dat kwam weliswaar niet heel goed uit, mocht het werkelijk zo zijn. Ik was erg lekker bezig, vond ik zelf, maar kijk, men is te gast. Als dat inhoudt dat men zich moet overgeven aan bacchanalen en wat daar zoal bij komt kijken, dan moet het maar. Ik hoorde al eerder dat Benno Barnard bij zijn vertrek uit Käsmu had geklaagd over het feit dat er hier te veel bomen staan (en te weinig mensen zijn). Ik begrijp hem volkomen, maar men moet niet denken dat wij aan de Noordzee een stelletje kwiebussen zijn. En dus zei ik tegen de man die me vertelde dat er 's avonds alvast een vuur ontstoken zou worden aan het haventje in Käsmu, dat ik daar dan zeker naar toe zou gaan. Nu ging ik het meemaken. Vuurspringende Esten. Het geheime branden in het bloed van een volk dat niet nalaat steeds te wijzen op zijn verwantschap met de vikingen. Ha! Wijn uit schedels gingen we drinken! Met bijlen op muggen mikken. Wodan aanbidden.


Natuurlijk viel het tegen…


Let wel, ik neem dat niemand kwalijk. Ik ben verkeerd voorgelicht, dat is alles. Ik arriveerde op het feestterrein, zal ik maar zeggen, waar een aantal als cowboys uitgedoste muzikanten stond te soundchecken en er even verderop een soort tipi van hout stond: het vuur, begreep ik. Dat leek mij veel te hoog voor vruchtbare jongelieden om overheen te springen, al viel te verwachten dat wanneer de zaak eenmaal goed in de hens was gestoken, het geheel wel langzamerhand in elkaar zou storten. Maar dat ging nog wel even duren, begreep ik, want de band begon te spelen. Meteen begon een aantal vrouwen op het drassige grasveld te dansen. Ze deden me denken aan mijn moeder toen die nog heel wat jonger was, maar in mijn toen 11-jarige jongensogen toch al veel te oud om zich zo aan te stellen. Terwijl, opnieuw, te vrezen valt dat deze vrouwen van mijn leeftijd waren.





Ik dwaalde maar wat af naar de drijvende pontons met drie aangemeerde bootjes om wat naar de lucht te kijken, de lucht en het water, en was daar dan toch weer van onder de indruk. Ik hoorde op het steigertje zowaar nog Nederlands spreken — en dan bedoel ik dit keer: echt Hollands — en ik voelde ineens een onbedwingbare neiging gedrag te vertonen dat ik van Nederlanders meestal verafschuw, met name: Nederlanders op vakantie. Ik sprak die mensen aan, met zo'n kwinkslag waar je later voor geen goud aan herinnerd wenst te worden (en die ik hier dan ook zedig verzwijg), om het ijs meteen te breken, en het scheelde maar een haar of ik had voorgesteld dat we misschien 'effe ergens een bakkie konden doen'. Compensatiegedrag voor de onduidelijkheid in het intermenselijk verkeer hier de afgelopen maand.






Terwijl ik wat met die mensen stond te babbelen, en dus in een oogwenk dingen wist waar je bij een Est waarschijnlijk jaren en jaren over doet om erachter te komen — vader, moeder (beiden afkomstig van de Veluwe) en zoon die een vrouw uit Estland getrouwd heeft, maar in Leiden woont, waar die vrouw ook haar dissertatie heeft geschreven; vader en moeder met zoon wat aan het rondtoeren terwijl de Estse schoondochter vast naar haar moeder is doorgereisd, waar zij dan de volgende dag ook naar toe zouden gaan, waarna weer terug naar Nederland; vanaf Schiphol gevlogen via Vilnius dus waarschijnlijk ook zo weer terug en je hebt toch maar weinig beenruimte in die vliegtuigen, want de vader en moeder vlogen voor de eerste keer van hun leven en dat was ze toch wel wat tegengevallen, moesten ze zeggen — terwijl ik dus zo wat stond te babbelen, hadden die onverlaten van een Esten inmiddels achter mijn rug het vuur aangestoken. Zonder plichtplegingen, zonder klaroengeschal. Zelfs de muziek van de Käsmu Cowboys (thx Wieland ;-)) was er niet voor onderbroken. Ik had ook niet de indruk dat iemand anders zich er ook maar een moment druk over had gemaakt. Er was gewoon iemand op die houtstapel afgestapt en had hem in de hens gejaagd. Ik haastte mij naar het flakkerend vuur. Ik ging daar eens goed bij staan kijken. Als enige. Dit was de bedoeling niet.




Iets verderop ontstond er enige beroering. De Käsmu Cowboys hadden hun eerste setje erop zitten en dat was blijkbaar het moment om, dacht ik aanvankelijk, de inmiddels gevonden voorwerpen even onder ieders aandacht te brengen. Er stond een dame achter de microfoon met een zwarte rubberlaars in haar hand. Ze hield die omhoog, en ik zou toch gezworen hebben dat ze op dat moment vroeg van wie die was. Ik was dan ook wat verbaasd om meteen een man of vijftien in gejuich te zien uitbarsten. Er werden met armgebaren nog anderen bij gehaald. De vrouw bleef de laars omhoog houden, terwijl ze tegelijkertijd op een blocnootje keek. Dit leek me wat veel drukte om een gevonden voorwerp.


Ik was dan ook getuige van het begin van een heuse wedstrijd: het fameuze rubberlaars werpen. De mannen stelden zich op instructie van de vrouw op in een rij en wachtten netjes af tot de vrouw van haar blocnootje hun naam aflas, waarna ze de rubberlaars in ontvangst namen, een aanloop namen (sommigen hadden een andere tactiek) en de laars onder luide aanmoedigingen van iedereen zover mogelijk weg gooiden. Dat een enkeling het ding in het publiek keilde dat langs de kant stond te kijken, verhoogde alleen maar de hilariteit. Iedereen werd er buitengewoon vrolijk van. Nog wat later kwamen de vrouwen ook aan bod, en ja hoor, dat had je de jongere uitgave van mijn moeder weer. Niet doen mama, wilde ik nog roepen, maar het was al te laat: een hopeloze worp. Ik schaamde me dood.



Na afloop kregen de beide winnaars een fles, en het eerste wat ik ze zag doen was, na beiden een korte blik op het etiket geworpen te hebben, van fles ruilen. Waarna de Käsmu Cowboys het weer overnamen. Het vuur was inmiddels serieus aan het branden. En ik vond niet alleen dat kinderen daar toch akelig dicht bij in de buurt liepen rond te hannesen zonder dat er ook maar één ouder was die zich blijkbaar zorgen maakte, maar ook dat een oudere man met bril verdacht veel in dichte nabijheid van het vuur rondjes draaide. Ik wist niet precies wat ik na het laarswerpen nog moest verwachten: de oudste van het dorp die zich in de vlammen wierp? Dit jaar was het zijn beurt? Iemand moest eraan geloven? Tradities vormen de ruggengraat van elke gemenschap. Ik maakte me een beetje zorgen. Tegelijkertijd stond ik in bewondering voor de kundige wijze waarop deze kleine brandstapel was gemaakt, hoe die opbrandde, hoe al het afval, de gloeiende stukken hout die afbraken, allemaal keurig naar binnen vielen, in het hart van het vuur zelf. Dit ging niet instorten, dit vuur, waarna zich gloeiende stukken hout wanordelijk over het grasveld zouden verspreiden; nee dit ging koninklijk en koninklijk traag naar het gras zijgen, een vuur als een reverence.




Inmiddels zetten de Käsmu Cowboys weer in, en toen ze In the ghetto in het Ests begonnen te zingen, had ik het wel gehad. Het leek me niet dat dit nog uit de hand ging lopen. Mijn moeder stond inmiddels bij de barbecue en leek een beetje tipsy. Ik kon het eerlijk gezegd niet meer aanzien.


Eenmaal terug in mijn vertrekken wachtte ik nog tot diep in de nacht op laveloze huisgenoten die lallend het huis binnen kwamen wankelen, maar er was een diepe rust neergedaald over Neeme Tee 29 te Käsmu. Ook verschenen er gedurende de nacht geen zieken- of brandweerwagens, klonken er geen sirenes en waren de Cowboys door de driedubbele beglazing hier in huis alleen nog vaag te horen als wat nondescript gebonk, dat bovendien op een alleszins beschaafd uur ophield.
Natuurlijk, ik bleef niet tot het eind. Ik wachtte niet tot het razende vuur een gloeiend tapijt was geworden met hier en daar een naar de lichte nachthemel ontsnappende vonk, een gloeiplek waarrond de plaatselijke jongeren, dicht tegen elkaar aan, oeroude rituelen ten uitvoer brachten, rituelen die verband hielden met de zonnewende, maar evengoed met geslachtsverkeer. En natuurlijk ging ik de volgende avond niet ook nog eens een keer naar Võsu, waar men die nacht een soortgelijk vuur zou ontsteken. Ik deed geen moeite het feest op te sporen waar het zich ongetwijfeld wel degelijk afspeelde. Ik was alweer aan het werk.


Als romancier of als dichter heb je, ondanks alle hardnekkige cliché's die nog stammen uit de tijd van de romantiek, baat bij zogenaamde 'tuttelaars' — eerste lezers, goede vrienden die er niet voor terugschrikken je de les te lezen als je niet bij je eigen leest gebleven zou zijn, vrienden die je werk kennen en dus in staat zijn op je stoel te gaan zitten en je van advies te dienen. Martelende onzekerheid is deel van elk creatief proces. Je moet het gevoel hebben dat je iets doet wat je nog nooit eerder deed. Je kunt op niks bogen, op niks terugvallen, je staat er alleen voor. Samen met zo'n tuttelaar, als je geluk hebt. In een nachtelijk skype-gesprek met één van hen over het grootste deel van de roman dat ik hem had gestuurd, stelde ik vast dat het allemaal niks was wat ik hier had zitten doen en wat ik voordien in Gent had zitten doen. Nee, het hele boek klopte van geen kanten. Dat zei niet die vriend, maar ik maakte dat met het grootste gemak op uit wat hij wél zei, uit de twijfels die hij had bij dit in het boek en bij dat in het boek — al zei hij geregeld dat hij het nog niet helemaal helder zag. Dat maakte al niet meer uit. Ik concludeerde dat het helemaal anders moest allemaal. En zat in zak en as. Ik liet hem dat de volgende dag per mail weten. Waarna hij de nacht daarna weer via skype boos reageerde: ging ik nu op grond van wat halve opmerkingen van hem ineens van dit boek een ander boek maken? Dan zou hij in het vervolg gewoon niks meer zeggen. En dan, hoezo een ander boek maken van dit boek? Dit boek was dit boek, leek hem toch. Een ander boek moest ik zeker nog maken, vond hij, maar toch niet om deze te laten liggen. Ik vond alweer met het grootste gemak dat hij gelijk had. Hyperindividualistische kunstenaarszielen die lijden onder de martelende onzekerheid omtrent wat ze aan het doen zijn, hebben meestal totaal geen ruggengraat…


En dus wordt er nu de laatste dagen van mijn verblijf hier als een razende geschreven. Het ongekende aantal van zowat 3000 woorden op een dag, en dan bedoel ik: woorden die blijven staan. Alsof het ineens heel gemakkelijk is, dat schrijven. Alsof het niets kost. Ik heb goede hoop dat ik hele boek nog hier afkrijg, al heb ik de voorlaatste dag, de dag voor mijn vertrek, toch nog gereserveerd voor een laatste bezoek aan het prachtige Tallinn, en voor een fatsoenlijk afscheid van Ilvi Liive en het Estonian Literature Information Centre. Nu ik een huurauto heb, hoeft immers niemand mij hier meer op te halen en naar het vliegveld te brengen. Maar hier zonder boe of bah zomaar vertrekken — nee, dat gaat niet, wat autochtone Esten daarover ook mogen denken.


22/06/2010

marc reugebrink bericht uit estland (3)

Marc Reugebrink, de auteur van Het grote uitstel (Gouden Uil 2008) verblijft deze maand in Käsmu aan de Estse kust. Hij werkt er aan zijn volgende roman. Zijn residentie kwam tot stand dankzij een uitwisseling van Het beschrijf.

WEEK 3: Bussen en Meisjes



De stilte na het vertrek van mijn meisjes is plotseling wel heel overweldigend. Niet alleen zijn de concerten hier tegenover afgelopen, maar buiten de verdwaalde half-Belg die ik ben is er in het schrijvershuis in Käsmu nu al dagen niemand aanwezig. Terwijl ik verwacht had dat de toestroom van nieuwe gasten al het afgelopen weekend zou beginnen. Morgen is het Võdupüha, en de dag daarna Jaanipäev, met daartussen Jaaniõhtu, ook wel: Jaanilaupäev, de nacht waarop de Esten grote vuren ontsteken, zich half blind drinken en dan over die vuren schijnen te willen gaan springen. Het zijn dagen dat Tallinn een zo goed als uitgestorven stad moet zijn. Iedereen heeft zich voor deze St. Eve's Night (Jaaniõhtu of dus Jaanilaupäev) en St. John's Day, zoals het dan weer in het Engels heet, in de bossen teruggetrokken, op die helft van het 45.227 km2 grote land dus dat door bossen bedekt is (oerbossen zelfs, de laatste in Europa). En in de bossen, dat is onder meer hier, in Käsmu.



Toen ik mijn beide meisjes terugbracht naar het vliegveld van Tallinn was ik dan ook niet verbaasd dat ik veel tegemoetkomend verkeer had op de weg van Sint Petersburg naar Tallinn. Daar zul je ze hebben, dacht ik, nee ik zei het luidop. En er klonk misschien wel enige opwinding door in mijn stem. Want als je te maken hebt met een zo gesloten volk als de Esten, ben je natuurlijk zeer nieuwsgierig naar de uitspattingen. Die stel ik me alvast voor als iets vulkanisch. Over vuren springen met je dronken kop — toe maar! Het carnaval in Aalst verbleekt erbij tot een verjaarspartijtje op een kleuterschool. En dan: grote vuren in een bosrijke omgeving, waar de meesten huizen van hout zijn. Ik maak me sterk dat minstens een deel van het land ieder jaar na de viering van de zonnewende opnieuw opgebouwd moet worden. En beplant. En dat er hier een brandwondencentrum is waarbij vergeleken dat in Neder-Over-Heembeek niet meer dan een polikliniekje lijkt voor mensen met een brandblaar. Het verklaart mogelijk de eindeloze hoeveelheid rookmelders in dit huis, de brandblusser op elke kamer, en zo'n deken om vlammen te doven.


Maar voorlopig is het hier stiller dan ooit, stiller nog dan toen ik hier aankwam en het passeren van een auto al een hele belevenis vond. Je hoorde toen nog af en toe een deur slaan. Een kinderstem. Nu begint het hier zowaar… eenzaam te worden. Goed om te werken, zo zegt men dan maar omdat men aan het gevoel een beetje tegen alle bedoelingen in een soort kluizenaar geworden te zijn toch een zekere richting moet geven. Al begin ik caféschrijvers als Sartre een beetje beter te begrijpen — en misschien overweeg ik in een dolle bui nog wel om de auto naar Tallinn te nemen en daar in een café verder te werken aan het boek.

Een auto ja. Ik had al voor de komst van H. en E. besloten dat ik de dagen dat ze hier waren een auto zou huren. Er was nog even de moeilijkheid hoe ik van Käsmu naar Tallinn kwam zonder nog over zo'n vehikel te beschikken. Er bleek een bus te gaan. Eén bus. De huishoudster die geen Engels spreekt, legde het me met handen en voeten uit, riep de hulp in van een hier toen nog ronddwalende Estse schrijver en wist me zo duidelijk te maken dat er om 10.35 uur een bus uit Käsmu naar Võsu vertrok. Dat Võsu kende ik al. Het is dat dorpje hier zes kilometer verderop, een vroeger kuuroord naar het schijnt, waar ze wél een winkel hebben. Ik was er inmiddels al een paar keer op een hier aanwezige fiets naar toe gebuffeld, met mijn speciaal voor de reis aangeschafte rugzak op wieltjes, heel handig op luchthavens, maar ook zonder iets erin al behoorlijk zwaar als je hem op je rug draagt. Laat staan dat je ontdekt dat ze in het supermarktje daar Argento hebben — een goed wijntje dat ik ken van bij ons uit de Colruyt. De terugtocht met wat groente en fruit, een pak melk, twee flesjes Argento, een doosje eieren en voor het gemak maar meteen twee broden was voor een notoir onsportief type als ik ben niets minder dan een poging tot het bedrijven van topsport.

Võsu dus. De buschauffeur in Käsmu was niet meteen het meest inschikkelijke type. Ik vermoedde dat een tak van zijn familie tot de wilde zwijnen behoort. Ik stond 10 minuten voor de deur van zijn bus, terwijl hij op een stoel in de bus zat en me aanstaarde. Het miezerde een beetje. Uiteindelijk hees hij zich overeind, plofte op de bestuurdersstoel, rommelde wat met papieren, startte de motor, zette de bus in zijn eerste versnelling, keek toen nog eens met een blik vol verachting naar mij, en opende uiteindelijk dan toch de deur. Ik was de enige passagier op het ritje van 6 kilometer, dat 10 Estse kronen kostte, nog geen euro.



Eenmaal in Võsu (om, laten we zeggen 10.45 uur) moest ik wachten tot 11.20 uur. Dan zou er een bus komen die regelrecht van Võsu naar Tallinn zou rijden. Ik liep naar een houten bushokje, waar ik niet alleen werd opgewacht door een eskader muggen, maar ook door de bloeddoorlopen, starende ogen van een drietal dronkaards, autochtone Võsuenaren leek me, of hoe zeg je dat, opgeslokt door boomgeesten, de stilte in het eigen hoofd en de holte die dat in het eigen innerlijk had geopenbaard, een leegte die met drank gevuld diende, van 's ochtends tot 's avonds, hangend in een bushokje dat op zich exemplarisch leek voor de vergane glorie van wat ooit een kuuroord was waar welgestelde mensen een teentje in de ijskoude Baltische zee doopten, stel ik me zo voor. De vergane glorie van badplaatsen en kuuroorden is vaak beter te verdragen dan de schaamteloze pronkerigheid van de huidige badplaatsen. Die vergane glorie laat zich nog omdenken tot een exclusiviteit en een vorm van haast negentiende eeuwse luxe, tot iets hoogcultureels kortom (of wat toch zo lijkt nu), iets wat in de welvarendste van de huidige badsteden is verbleekt tot de gruwelijke banaliteit van de middenstand. Het is natuurlijk de vraag of de negentiende eeuwse badsteden voor gegoede lieden (en alleen voor hen) toentertijd niet even banaal waren. Maar soms wil men zo genuanceerd niet zijn.

Maar goed, drie drenkelingen in een bushokje in Võsu, waar overal dienstregelingen hingen (voor iedere bus één). Ik zag al snel dat 'mijn' bus, die van 11.20 uur, er niet bij hing. De neiging iets aan de bushokalcoholici te vragen was snel onderdrukt, en ik koos dus voor een houding van lijdzaam wachten — zij het ook weer niet al te lijdzaam. De muggen, groot voor Belgische begrippen, uiterst traag en dus gemakkelijk dood te slaan, maar toch te talrijk om niet hier en daar, en hier, en ook daar nog gestoken te worden — de muggen maakten dat ik maar wat heen en weer begon te lopen over wat me de hoofdweg van Võsu leek te zijn, met zowaar ook nog een bloemenwinkeltje en een winkeltje waar 'art' werd verkocht, al zag ik alleen gebreide truitjes, gebreide babymutsjes, gebreide schoenen, gebreide handschoenen en gebreide pannenlappen.

11.20 uur naderde. Er stopte een bus. Naar Rakvere. Die was het niet.

Ik liep nog maar eens een weggetje in. Zag iets discotheekachtigs en moest denken aan het verhaal van David Nolens, die ook in Käsmu gezeten heeft. Die was samen met een schrijversvriend die hij hier had opgedaan ooit eens naar een disco in Võsu gegaan en bleek daar in elkaar geslagen te zijn — iets waarover hij in zijn verslagje in het gastenboek hier in het schrijvershuis overigens heel luchtig doet. Ik had begrepen dat het was omdat hij en zijn vriend genadeloos waren geïdentificeerd als intellectuelen, maar Ilvi Liive zei dat het waarschijnlijk was omdat jonge mannen in deze contreien bij buitenlanders in hun dorp al snel het vermoeden hebben dat die komen om hun vrouwen te stelen. Waarschijnlijk was dat, zei Ilvi, 'omdat wij zo aantrekkelijk zijn'. Ze grinnikte. De mannen hier denken dat iedereen hun vrouwen wil wegvoeren. Ach, ik kom zelf uit een streek waar je toch ook behoorlijk scheef werd bekeken als je uit een dorp vijf kilometer verderop kwam en met een plaatselijke schone in het hooi werd aangetroffen.


11.20 stopte er een bus. De nergens aangekondigde bus. 'Tallinn' stond erop. Er stapten drie mensen in, mij meegerekend.

Tallinn had ik natuurlijk helemaal nog niet gezien, op wat buitenwijken na, die je als in elke min of meer grote stad (Tallinn heeft ongeveer 400.000 inwoners, dat is eenderde van de totale bevolking van Estland) het gevoel geven dat de dood nakende is. Nadat ik bij het autoverhuurbedrijf mijn auto in ontvangst had genomen en onmiddellijk aan Atte Jongstra moest denken (het is een Opel Astra namelijk, waarover in, ik dacht, De tegenhanger (2003) vaak lovende woorden worden gesproken), liep ik nog even de stad in. Een hanzestad, mooi gerestaureerd, hier en daar popperig, elders — zo bleek ons later toen we er in gezinsverband nog eens naar toe gingen — beslist mondain en als je even van de meer toeristische plekken zoals het marktplein en de direct daarrond gelegen straatjes weg bent zeer aangenaam. In een land waar er minder dan 30 mensen op een vierkante kilometer wonen (in Nederland, net iets kleiner dan Estland, zijn er dat bijna 400), zijn steden als vanzelf de grote centra waar alles zich samenbalt, en welbeschouwd heeft Estland maar vier steden: Tallinn, Narva (67.000 inwoners), een industriestad in het oosten aan de grens met Rusland, Tartu (ruim 100.000 inwoners), een universiteitsstad, en Pärnu (zo'n 45.000 inwoners), een badstad aan de zuidwestkust waar in de zomer, zegt men, de temperatuur soms mediterrane waarden bereikt.



Lang bleef ik er die eerste keer niet. Ik wilde de stad samen met H. en E. ontdekken, en ik merk dat ik als meer ongebonden verschijning bepaald ongezellig ben voor mezelf: ik ga dan niet snel een café binnen, of ergens een hapje eten. Nee, het wachten was op de vlucht uit Brussel via Praag, op het openen van de schuifdeuren op het minivliegveldje van Tallinn. Wat twee dagen later gebeurde.





En nu dan weer de stilte; de laatste pagina's van een roman die inmiddels een andere titel heeft gekregen dan degene die aangekondigd staat in de catalogus van Meulenhoff/Manteau. Helemaal officieel is dat nog niet, maar terwijl ik alles nog eens doorspitte, omgooide, herschreef en en nog eens opnieuw rangschikte, zag ik dat de oorpronkelijke titel Het vergeten huwelijk misschien toch niet de juiste was. Het feit dat er nergens in het boek over een huwelijk gesproken wordt, zou je nog als een goede grap kunnen zien: Hoezo, Het vergeten huwelijk? Er komt helemaal geen huwelijk in voor! Ah, wel, q.e.d. Maar toch, er is iets wat beter past…

En de meisjes veilig terug in Gent.

Marc REUGEBRINK