02/06/2010

willem van zadelhoff bericht uit dubrovnik (slot)

EEN MAAND IN DUBROVNIK

Het is zaterdagavond en het regent. Sinds ik hier ben – nu drie weken – heeft het steeds in de weekenden geregend. Er lijkt een systeem in te zitten.

Vanavond heb ik een gegrilde zeebaars gegeten in Dundo Maroje, een klein restaurant in een van de stegen die uitkomen op de Placa, de hoofdstraat van de oude stad. Het restaurant is genoemd naar de gelijknamige komedie van de in Dubrovnik geboren Marin Držić (1508-1567). Tijdens zijn leven werden zijn stukken in heel Europa opgevoerd en hier wordt hij liefkozend de Kroatische Shakespeare genoemd. Zijn standbeeld staat naast het Huis van de Rector. Hij is hier letterlijk en figuurlijk een vaderfiguur. Kroatische toeristen krijgen er maar niet genoeg van bij het standbeeld op schoot te gaan zitten en zich te laten fotograferen. Op die plekken is de patina van het brons verdwenen en glinstert het als goud in de zon.
De regen is opgehouden en ik doe mijn paraplu dicht. Nu de duisternis is gevallen, is de Placa op zijn mooist. De meeste toeristen zijn weer verdwenen. De bestrating van lichte natuursteen, dezelfde waar de huizen hier van zijn gebouwd, glanst zacht in het licht van de straatlantaarns.

Overdag is het toerisme een ware plaag. In de oude binnenstad is nauwelijks nog een normale winkel te vinden. Als een huurcontract moet worden vernieuwd, wordt de huurprijs gelijk met twee- of driehonderd procent verhoogd. De groentewinkel, de slager of de herenkapper kunnen dat niet opbrengen. Ze zijn bijna allemaal verdwenen. Grof gezegd zijn er nog maar twee soorten middenstand: souvenirshops en restaurants. In alle souvenirshops is het assortiment hetzelfde. Meestal staan de verkoopsters verveeld buiten een sigaret te roken. Hoe ze overleven en de hoge huren opbrengen is een raadsel. Ook de restaurants voeren een harde strijd om het bestaan. Ze hebben bijna allemaal iemand in dienst die op de drukke Placa klanten probeert te werven door foldertjes uit te delen. Vaak zijn het jongens of meisjes van buiten de stad die zelfs de weinige autochtone bewoners voor toeristen aanzien en een folder in de hand proberen te drukken. Dat zorgt voor irritatie.

Dit lijkt nog maar het begin. Dubrovnik moet mee in de vaart der Volkeren. Vorige week bracht Jadranka Kosorde, de eerste minister van Kroatië, een bezoek aan de stad. Terwijl via een geluidsinstallatie het geluid van de motoren van een opstijgend vliegtuig klonk, knipte ze een lint door en opende daarmee de nieuwe terminal B op Dubrovnik Airport. In haar speech benadrukte ze dat dit een opmerkelijk moment voor ons allen was.
De nieuwe terminal heeft een oppervlakte van 13.700 vierkante meter en kan meer dan twee miljoen reizigers per jaar ontvangen. En dit is nog maar fase drie van een vijfstappenplan om de luchthaven te moderniseren.
Ik lees dit allemaal in The Dubrovnik Times, een Engelstalig weekblad dat verspreid wordt via de lobby’s van hotels.

In dezelfde uitgave lees ik ook dat er dit jaar 1,2 miljoen cruiseschippassagiers worden verwacht. Dat is in vergelijking met vorig jaar een stijging van 4 procent, rekent Vlaho Đurcović, de directeur van de haven van Dubrovnik ons trots voor.
Ik heb ze meegemaakt, de cruiseschippassagiers. Ze schuifelen als in een processie door de straten. Niet links, of rechts, nee, over de hele breedte van de straat zodat je gedwongen wordt hun tempo over te nemen. Meestal worden ze voorafgegaan door een gids die een bord met een nummer omhoog houdt. De leden van de groep hebben datzelfde nummer op hun borst geprikt. Op hun hoofd een koptelefoon waardoor ze de noodzakelijke toeristische informatie horen. In een smalle steeg waar zich ook de oude synagoge bevindt, zag ik vorige week hoe twee groepen die toevallig allebei nummer acht voerden met elkaar verward raakten. Terwijl de meeste toeristen nog braaf hun hoofd naar links of naar rechts draaiden, afhankelijk van de informatie die ze via de koptelefoon kregen, raakten de groepen steeds meer in elkaar verstrikt. De gidsen hielden krampachtig hun bordje met nummer acht boven hun hoofd. Aangezien beide groepen hetzelfde nummer hadden, was dat ook niet de oplossing. Het duurde minstens tien minuten voordat de groepen weer hun weg konden vervolgen.
De meeste toeristen die Dubrovnik bezoeken, verblijven maar een paar uur in de stad. Dat bepaalt de houding van de lokale middenstand. In die paar uur moeten ze hun slag slaan. Zoiets lukt alleen met agressieve verkoopmethodes. Als we maar omzet maken; morgen komt er weer een nieuwe lading. Ook ik die een maand in de stad verblijf, word voortdurend zo benaderd. Je bent niet meer dan een lopende portemonnee.

Als ik de oude stad verlaat via de Pile Poort besluit ik nog een glas wijn te drinken bij Ennes, de uitbater van pizzeria Tomato. Ik heb hem leren kennen via de dichteres Els Moors die hier twee jaar geleden was en me vroeg hem de groeten te doen.

Ennes klaagt dat ze aan de overkant van het plein begonnen zijn met verbouwingen. Van ’s ochtends acht tot ’s middags vijf het geluid van drilboren. ‘Precies aan het begin van het toeristenseizoen,’ zegt hij hoofdschuddend.
Wat zijn ze aan het bouwen? vraag ik.
Ennes kijkt me grijnzend aan: ‘Het nieuwe toeristeninformatiecentrum.’
Nieuwe klanten komen het terras op. Ze willen koffie. Ennes moet ze teleurstellen. Hij serveert geen koffie.
Als hij weer tegenover me zit, zegt hij dat hij toevallig vandaag met zijn broer besloten heeft een koffiemachine te kopen. Vooral voor de take away klanten. Iedereen wil de laatste tijd koffie om mee te nemen. Dat was twee jaar geleden ondenkbaar. Nu moet hij tientallen keer per uur nee verkopen. Dat scheelt hem dagelijks toch zo’n kleine tweeduizend kuna.
‘De mensen nemen nergens meer de tijd voor,’ mijmert hij. Zelfs voor koffiedrinken hebben ze geen tijd meer. Ook hij ziet het massale toerisme met lede ogen aan.
Van de oorspronkelijke bewoners van de oude stad zijn er inmiddels nog maar iets meer dan zevenhonderd over. De anderen hebben voor veel geld hun appartement verkocht aan Amerikanen of andere kapitaalkrachtige buitenlanders. Het grootste deel van het jaar staan de appartementen leeg. In de winter lijkt het steeds meer op een spookstad. Dan zijn ook de meeste restaurants en souvenirshops dicht. Dan maken de honderden straatkatten de dienst uit.

Ennes staat op om nieuwe klanten te verwelkomen. Ik blader nog wat door The Dubrovnik Times. Pagina elf is gereserveerd voor de rubriek The Week in Pictures. Een paar dagen geleden stond er een witte Rolls Royce geparkeerd voor Hotel Argosy op Babin Kuk en dat was een heuse attractie. De bekende Schotse acteur Gerard Butler rustte uit op een jacht in de jachthaven van Dubrovnik en de eveneens bekende acteur Ralph Fiennes bekeek het panorama van Dubrovnik vanaf de stadswallen. Bovendien vierde Dario Srna, de aanvoerder van de nationale Kroatische voetbalploeg, afgelopen zondag zijn huwelijk in Hotel Excelsior.
Dit soort nieuws maakt melancholiek. Ik herinner me soortgelijke berichten in kranten aan de Côte d’Azur. Het is een soort toerisme dat bijna verdwenen is.
Ik blader verder. Een interview met de directeur van de Tourist Board van Dubrovnik. De kop boven het artikel luidt: Dubrovnik: Harmony of Life and Nature.

Even later komt Ennes met een goudkleurige plastic beker met inscriptie uit het restaurant het terras op. Gisteren heeft hij hem gewonnen met vissen. Zijn vis was de grootste: 35 centimeter lang.
Als ik hem vertel dat ze bij ons de vissen die ze vangen weer teruggooien, kijkt hij me ongelovig aan.
Ik neem afscheid van hem en zijn twee dochters.
Op het plein is het nu stil. Als er even geen autoverkeer is, kun je hier nu zelfs de zee horen. Over een paar uur arriveren de eerste groepen toeristen al weer. Als ik langs de Latino Fuego loop, klinkt er zachte muziek. Een bord aan de ingang meldt dat hier ‘mostly commercial music’ gespeeld wordt. Dat stelt gerust.

jeroen theunissen bericht uit ljubljana (2)

Jeroen Theunissen is net terug van een werkverblijf in de Sloveense hoofdstad Ljubljana. Hij is de eerste Vlaamse schrijver die werd geselecteerd voor een beurs van het Halma-netwerk. Hiermee kan hij in twee verschillende residentiehuizen verblijven.

10. De foto: ik begin met een foto. Het bureautje dat ik heb, is net voldoende voor drie boeken en een laptop, en telkens wanneer ik ’s ochtends op de stoel ga zitten, prijs ik mij gelukkig dat ik geen zwakke rug heb. Maar gelukkig is er een kleine lade, en in die lade heeft iemand natuurlijk wat dingetjes achtergelaten. Het hele appartement heeft de charme – als het charme heeft – van half versleten spullen die je op de rommelmarkt koopt, maar de lade is het bijzonderst. Ik vind een passer, een blocnote, een balpen en ten slotte de schat die ik zocht: pasfoto’s. Het zijn er vier, en ze zijn niet helemaal gelukt, de kleuren zijn mat, de ogen staan dof. Ik leg mijn vondst op het bureautje. Ze is een vrouw van een jaar of vijfendertig, misschien veertig. Ze heeft een streng, langwerpig gezicht en halflang kastanjebruin haar dat over haar oren hangt. Ze kijkt vriendelijk, maar een beetje verlegen, haar glimlach is krampachtig. Eigenaardig genoeg doet ze me aan iemand denken (een paar dagen later weet ik wie; een familielid van een ex, iemand die ik jaren niet gezien heb). Ik neem mij voor een verhaal te schrijven waarin de persoon op de foto een hoofdrol krijgt; het verhaal zal een sardonische verteltoon hebben, het hoofdpersonage wordt iemand die liever niet praat over wat toch aan de oppervlakte moet komen (en catastrofaal is).

11. ’s Avonds ga ik uit. Kino Siska, net naast mijn woning, was in de jaren tachtig de enige plaats waar je naar actiefilms kon kijken en waar, zo vertelt mij een dichter die hier in die tijd vaker kwam, regelmatig iemand zo hard schrok dat hij van zijn stoel viel. Sinds vorig jaar is er een concertzaal. Er loopt een gerenommeerd festival van alternatieve muziek uit heel Europa, en dat wil ik wel eens zien. Een man uit Marseille brengt een mengeling van rock en chanson, maar het werkt niet: de riffs zijn eentonig en de teksten oninteressant. Daarna komt een groep die aangeprezen wordt als een soort nieuwe Manu Chao. Wanneer ze het podium betreden, kan ik een sarcastische glimlach niet onderdrukken; ik weet: dit komt niet goed. Ze zijn met zes: een tengere Ier die vrijwel onzichtbaar zal blijven, een Braziliaan die denkt dat hij in het nationale elftal speelt, een glimlachende Colombiaan die zo uit een reggaeband uit de jaren zeventig lijkt weggewandeld, een nerveuze Italiaanse zanger met het gezicht van Rocky, een graatmagere Portugees met een Hari Krishna-kapsel en een pyjamabroek die zijn schaamhaar half bloot laat, en ten slotte een vreselijk debiele fiesta-Spanjaard met een T-shirt waarop Fuck the System staat, hij roept bovendien almaar boven de muziek ‘donde están las mujeres.’ Ach, waar is de tijd van Rage Against the Machine.

12. Of Laibach. In Tivoli, het grote park van Ljubljana, staat een rococokasteel. Daar loopt een tentoonstelling over het legendarische, in de jaren tachtig verboden en nog nadien omstreden Sloveense muziek- en kunstcollectief. In het rococokasteel, op zich een eigenaardige locatie voor een tentoonstelling over Laibach, zie ik in een videofragment een Amerikaanse jongeman die na een concert totaal in de war is wanneer men hem vraagt wat hij er van vond. ‘Ik weet het niet,’ zegt hij, ‘ik had ineens zin om in een Duits leger te marcheren.’

13. Kapitalisme: dat is natuurlijk iets vreselijks. Ook Laibach zou het niet ontkennen. Een jonge dichteres houdt een praatje over hoe leuk het vroeger was, voor het kapitalisme. De mensen waren veel opener, zegt ze, en er heerste een fantastische sfeer. Ik knik (dat is altijd het beste). Over haar landgenoot, de postmarxistische filosoof Slavoj Žižek, zegt ze dat hij uiteraard niet meer is dan de politiek correcte rebel die het kapitalisme nu eenmaal nodig heeft. ‘Hij is er zelf een deel van,’ zegt ze, ‘en hij beseft het niet.’ Net als zij.

14. Frustratie: misschien houden mensen er gewoon van, te klagen. Verschillende schrijvers en een criticus vertellen mij dat de sfeer in de Sloveense literaire scène er een van frustratie is. Het is moeilijk, het hoofd boven water te houden. De relevantie van literatuur daalt. Het ministerie van cultuur werkt niet zoals het zou moeten. Ik weet niet of het klopt, misschien praatte ik gewoon met de verkeerde personen. Eén iemand extrapoleert de frustratie naar de hele Sloveense maatschappij. In de jaren negentig en de eerste vijf jaar van het millennium heerste er groot optimisme. Slovenië was de dans ontsprongen in de Joegoslavische oorlogen, de welvaart groeide, van alle ex-communistische landen was Slovenië het land dat het snelst en het best bij het westen aansloot. Maar de stemming sloeg om. De Europese Unie is niet zaligmakend, de welvaart stagneert, een klein land als Slovenië is machteloos in internationale conjunctuurschommelingen.

15. Homogeniteit: ik schreef eerder dat Slovenië me homogeen leek. Uiteraard klopt het niet, dat had ik wel kunnen weten. Alleen zie ik en hoor ik het niet omdat ik de talen niet spreek. Er is een grote gemeenschap Bosniërs, en tegenwoordig een groeiende groep Albanen en Roemenen.

16. Dwaasheden: ik lees over België. Ter vergelijking: Slovenië is in een grensconflict verwikkeld met Kroatië. De retoriek wordt geleidelijk holler naarmate een referendum nadert over de vraag of Slovenië en Kroatië de beslissing over het kleine stuk land in handen van een onafhankelijke internationale commissie zullen leggen. Bij ‘neen’ is er geen duidelijkheid over een alternatief.

17. Ik lees Tomaž Šalamun: volgens een plaatselijke kennis de grootste Sloveense dichter. Hij was ooit in de gevangenis vanwege zijn gedichten, iets wat ik in België zo snel niet zie gebeuren. Zijn dichtbundel Poker opent – in de Engelse vertaling – met de volgende verzen: ‘I saw the image of my tribe / and left.’ Dat is een onvoorstelbaar knap begin.

18. Canada: intussen werk ik aan een nieuw boek. Ik lees in de krant dat in Canada een gezin is verongelukt doordat hun huis letterlijk door de aarde werd opgeslokt. Het verdween in een ‘zinkgat’ van 500m breed en 30m diep. Het gezin zat televisie te kijken. Alleen de hond overleefde. Ongeveer even absurd moet mijn nieuwe roman zijn (maar iets vrolijker).

19. En morgen: morgen keer ik naar huis terug. Ik schreef zo’n 30.000 woorden, dat is niet slecht. Ik legde geen enkel babybezoek af: prachtig. Ik dwaalde en droomde. Het lijkt mij ineens vreselijk, ergens te zijn waar ik de taal begrijp.

26/05/2010

willem van zadelhoff bericht uit dubrovnik (2)

Het universiteitsgebouw waar ik de komende maand verblijf, bevindt zich op een heuvel met uitzicht op de oude stad.

Het is na vieren. De administratie is gesloten. In de hal is een vrouw in een soort roze pyjama de vloer aan het dweilen. Achtereenvolgens leg ik haar in het Engels, Duits en Frans uit dat ik de schrijver uit België ben die hier de eerstkomende maand komt werken.

De vrouw staart me met een glazige blik aan. Ze spreekt alleen Kroatisch en heeft geen idee waar ik het over heb. Ik schrijf mijn naam op een vel papier. Ook dat helpt me niet verder. Ik heb al zolang ik me kan heugen een instinctieve afkeer van pantomime. Vandaag zit er niets ander op. Nog iets onwennig probeer ik uit te beelden dat ik schrijf (de linkerhand als papier, de rechter als pen) en dat ik hier kom om te slapen (beide handen samengevouwen onder het licht geknikte hoofd). Het gezicht van de vrouw klaart op. Ze verdwijnt in een kantoortje onder de immense stenen trap. Even later komt ze weer naar buiten. In haar opgeheven hand zwaait ze met een sleutel. Voordat ik het haar kan beletten, grijpt ze mijn loodzware koffer die in haar hand plotseling vederlicht lijkt en snelt voor me uit de vier trappen op die naar mijn appartement leiden.

De volgende ochtend ontmoet ik Yvana Burđelez, de directeur van het Centre for Mediterranean Studies. Ze zegt dat ze zich een beetje om mij zal bekommeren. Helaas vertrekt ze de volgende dag voor ruim anderhalve week naar een wetenschappelijk colloquium in Georgië.

Maar die avond moet ik naar de wetenschappelijke bibliotheek in het oude centrum komen. Daar wordt een tentoonstelling over medische handboeken uit het Middellandse Zeegebied geopend.

Tussen de eeuwenoude boeken heeft zich de intelligentsia van Dubrovnik verzameld. Yvana Burđelez stelt mij voor aan de schepen van cultuur. Even later sleurt ze me de zaal door om me voor te stellen aan Vesna Čučić, de directrice van de bibliotheek. Het volgende moment sta ik al weer tegenover een dame wier naam ik op het moment dat ik hem hoor al weer vergeten ben. Ze schrijft ook, zegt Yvana Burđelez die al weer op weg is om zich om iemand anders te bekommeren. Daar staan we dan. De dame schrijft inderdaad ook. Wetenschappelijke boeken over moleculaire biologie. Zoiets heb ik onthouden. Als ik op haar verzoek begin te vertellen waarover ik schrijf, zie ik haar interesse als sneeuw voor de zon verdwijnen. Ze excuseert zich omdat ze nog wat boeken moet bekijken. Ja, daar ben ik ook nog niet aan toe gekomen, zeg ik glimlachend en slenter naar een vitrinekast waar niemand voor staat. Ik ontdek zowaar een boek dat in Antwerpen gedrukt is.

Op de begane grond wordt ons een glas aangeboden. Ik heb mijn eerste slok nog niet genomen of ik hoor de stem van Yvana Burđelez. We moeten opbreken. In het huis van de Rector wordt ons namens de burgemeester van Dubrovnik een kleine receptie aangeboden. Wat me opvalt is dat er niet alleen wijn, water en vruchtensap wordt geserveerd, maar ook likeur.

Plotseling staat er een grote, forse man met een witte walrussnor voor me. Hij wijst op een getraliede deur die nauwelijks een meter hoog is. Kijk, daar werden vroeger de gevangenen opgesloten. Een bulderende lach welt op uit zijn vlezige romp. Het volgende moment is hij begonnen met een exposé over kindersterfte door de eeuwen heen. ‘Ze zeggen dat de kindersterfte vroeger hoger was dan nu... Flauwekul!’ Uit de borstzak van zijn witte overhemd trekt hij een klein notitieblok. Geroutineerd begint hij wat grafieken te schetsen. ‘In 1600 stierven er zoveel kinderen’, zegt hij en trekt een lijn. ‘In 2010 zoveel’, nog een lijn. ‘Het lijkt of er nu minder kinderen sterven.’ Hij kijkt me verwachtingsvol aan. Ik knik en zeg dat het inderdaad zo lijkt. ‘Maar’, zegt hij, ‘ze vergeten alle kinderen mee te tellen die door miskramen of abortussen het leven laten.’ Dat deden ze vroeger namelijk wel. Hij trekt een laatste definitieve lijn in zijn grafiek en concludeert dat de kindersterfte nog net zo hoog is als een paar honderd jaar geleden.
De door de burgemeester aangeboden receptie is nog geen kwartier bezig als Yvana Burđelez ons uitnodigt haar te volgen naar Buffet Kamenice, de plaatselijke oesterbar.

De man met de witte walrussnor is de toeristenarts van Dubrovnik en is er ook weer bij. Ik heb de pech dat er alleen naast hem nog een plaats vrij is. Deze man bestaat geheel en al uit getallen, realiseer ik me na een paar minuten. Hij strooit links en rechts met samenstellingen van homeopathische poeders, preciseert het percentage mannen in Dubrovnik en omstreken die zijn gestorven aan de gevolgen van prostaatkanker en even later doet hij hetzelfde met het percentage vrouwen die baarmoederhalskanker niet hebben overleefd. Om de haverklap trekt hij zijn notitieblok weer te voorschijn om een en ander in een grafiek te verduidelijken. Het valt me op dat de mensen in zijn directe omgeving opvallend vaak naar het toilet gaan.

Als ik me even later excuseer omdat ik ook maar eens die kant op ga, zegt hij: ‘Ik praat teveel, hè?’

18/05/2010

saskia de coster bericht uit het Ledig House #2


Na een weekend in New York City nam ik uit een hotel slippers mee voor mijn lievelingseekhoorn. Onmiddellijk legde hij zich naast het witte schoeisel te slapen.



De meeste locals hier verafschuwen echter alles uit the City. Ze hebben niets te zoeken in die schreeuwerige, doodzieke grootstad met bommen op iedere straathoek en maken hun rommel liever zelf, op hun eigen porch.


Omgekeerd komen de ultrarijke Manhattanbewoners hier in Upstate NY rust zoeken en poten ze hun buitenverblijven neer teneinde in het weekend op hun grasmachine rond te rijden of te gaan jagen. Je kan drie uur in het hart van Nergens wandelen en plots op een waarschuwing botsen dat je het domein niet mag betreden.

In Ledig House zelf verschijnen en verdwijnen schrijvers, vertalers, schrijver-mariniers, schrijver-Napoleonkenners, schrijver-vertalers. ‘s Avonds wordt vooral over films gesproken want literatuurgesprekken eindigen altijd in hevige verdeeldheid: de Hemingwayfans staan lijnrecht tegenover de Woolffans. Bij deze verontschuldigen alle Amerikaanse schrijvers zich wél unaniem bij de wereld voor Sarah Palin.

willem van zadelhoff bericht uit dubrovnik (1)

Nog tot eind mei verblijft de in Antwerpen wonende Nederlandse schrijver Willem van Zadelhoff in Dubrovnik dankzij een residentie-uitwisseling van Het beschrijf met het Kroatische ministerie van Cultuur. Hieronder leest u zijn eerste impressie.

Na een vertraging van anderhalf uur land ik op Dubrovnik Airport. Vanuit de lucht had ik de Adriatische Zee al gezien. Azuurblauw.
‘Kijk daar is de zee’, had de man die naast me zat gezegd. Een gepensioneerde buschauffeur uit Leuven die een paar jaar geleden hier ergens aan de kust een bouwval had gekocht. Om de drie weken vloog hij hier naar toe om dan een week of vijf te klussen. Hij had me foto’s laten zien van de renovatie. Films had hij ook. Hij filmde alles. Dat had ik al gemerkt. Vanaf het moment dat hij naast me zat, was hij voortdurend in de weer met zijn camera. Het opstijgen, de stewardessen die lieten zien hoe je het reddingsvest moest gebruiken, de landing... de hele tijd snorde zijn kleine camera. Toen ik naar hem keek, zei hij verontschuldigend: ‘Het is voor de kinderen.’ Hij klonk alsof hij het over zijn testament had.

In de hal van het vliegveld stond de Kroatische schrijver Igor Štiks me op te wachten. Hij hield een vel papier omhoog waarop mijn naam stond geschreven. Natuurlijk was het niet Igor Štiks die daar stond, maar een taxichauffeur. Maar hij leek als twee druppels water op de schrijver die ik vorig jaar vluchtig had ontmoet toen hij in de PEN-flat in Antwerpen verbleef. Hij zou niet de eerste dubbelganger zijn die ik tegenkwam. Nog dezelfde avond zag ik Cyriel van Tilborgh, de voorzitter van het Willem Elsschotgenootschap, met een wit schort rondlopen op het terras van oštarije Sesame in de Dante Alighieria. Weer had mijn verbeelding me parten gespeeld; het bleek meneer Ercegović, de eigenaar van het restaurant.

Ik bevond me in een land en een stad waar ik nooit eerder was geweest. De taal gaf me geen enkel houvast. Ik spreek ook geen Spaans of Italiaans maar ik herken bepaalde woorden op uithangborden. Als ik daar een krant opsla weet ik ongeveer waar een artikel over gaat.

De situatie waarin ik hier terecht was gekomen, deed nog het meest denken aan de Latijnse missen die ik als jongetje had ondergaan. Alle taal was plotseling muziek geworden.

En dan worden je visuele zintuigen op scherp gezet. Kijken, kijken... Iets anders kun je niet. Je zoekt herkenningspunten. Het groene kruis van een apotheek, een verkeersbord en mensen. Bijna instinctief zie je dan gelijkenissen met mensen die je kent; in hun gezicht, in de manier waarop ze zich bewegen. En dan kom je Cyriel van Tilborg tegen met een witte schort voor, of Igor Štiks met een vel papier waarop je naam staat. En gisteren zag ik op de televisie in een bar waar ik een kop koffie dronk Yves Leterme omringd door danseressen een Kroatische televisieshow presenteren.

17/05/2010

jeroen theunissen bericht uit ljubljana

Deze maand geniet Jeroen Theunissen van een werkverblijf in de Sloveense hoofdstad Ljubljana. Hij is de eerste Vlaamse schrijver die werd geselecteerd voor een beurs van het Halma-netwerk. Hiermee kan hij in twee verschillende residentiehuizen verblijven.


1. De trein: in een vliegtuig reis je niet, je verplaatst je. Jean-Jacques Rousseau vond een postkoets al te snel; de enige juiste manier om te reizen was voor hem te voet. ‘Als het je er alleen maar om te doen is je plaats van bestemming te bereiken ga dan met de postkoets. Als je wilt reizen dan moet je te voet gaan.’ Dat laatste was in mijn geval weinig realistisch geweest; aan veertig kilometer per dag was ik, als ik begin mei in Gent vertrok, eind mei in Ljubljana aangekomen, net op tijd om terug te beginnen keren. Toen ik een jaar of twintig was, zei ik eens over de telefoon aan een kennis van mij op wie ik heimelijk verliefd was, en die in Hamburg woonde: ‘Ik kom naar je toe. Ik kom te voet, ik vertrek in de loop van de week.’ Ik heb het toen nog bijna gedaan ook.

De trein dus. Toevallig net lees ik in de trein ‘Terra Reversa’ van Peter Tom Jones en Vicky De Meyere, een zeer degelijke verdediging van een groen alternatief voor onze huidige economie en levensstijl. In een hoofdstuk over toerisme en transport leggen de auteurs duidelijk uit waarom de overdaad aan goedkope vluchten door Europa ethisch discutabel is. Ook daarom kom ik met de trein. Anderzijds laat ik mijn vriendin een weekendje over komen, per vliegtuig uiteraard.

Bijna twee boeken later, wanneer ik in het station van Ljubljana aankom, is het eerste wat ik zie een stairway to heaven. Rechts van mij staat een appartementsgebouw dat in zaagtandvorm gebouwd is op zo’n manier dat het werkelijk een trap lijkt naar de wolkenlucht, of eerder nog een trap in het niets.

2. De rivier: ik ga naar de Ljubljanica, die door het centrum van Ljubljana stroomt. Ik kijk naar de drie bruggen waar toeristen zo tuk op zijn, ik ben er. De stad is klein, iets te charmant en provinciaal. Moet een stad niet vuil en chaotisch zijn, bedelaars en criminaliteit hebben? Ik sta op het belangrijkste plein, het lijkt eerder de scène van een operette. Ik wandel wat. Het is een zaterdag rond elf uur en het centrum is leger dan dat van Gent. Maar achteraf begrijp ik die eerste indruk niet; dan heb ik de plaatsen waar het van het leven bruist toch gevonden, dan moet ik mijzelf dwingen om van de terrasjes weg te blijven, dan treiteren onvoorstelbaar mooie en waarschijnlijk onbereikbare jonge vrouwen minuut na minuut mijn hormonale evenwicht.

3. Het droommeisje: diezelfde eerste avond overkomt me iets eigenaardig. Ik ben op weg naar huis, ik ben moe en wil slapen en iedereen moet me met rust laten. Ineens stapt een droommeisje naar me toe, een jaar of twintig en met een erg aangenaam vollemaansgezicht. Ze is vreselijk verlegen. Niet aantrekkelijk, wel mooi. Ze wil met me spreken. Ik denk: wat krijgen we nu? Maar ik ben intussen doodop van een hele dag trein. Ze heet Astrid, ze is hierheen gekomen om met vrienden af te spreken en die zijn er ineens niet, en ze heeft geen geld. Ik ben wat achterdochtig, een onnozel verhaaltje toch. Maar ze heeft niets van een bedelares of een drugsverslaafde (het ergste wat ik ooit tegenkwam, was een Amerikaan van wie ik een rit in zijn cabrio kreeg, en die op mijn vraag naar zijn werk antwoordde: ‘Bedelen.’ Later vroeg hij ook nog of hij mij mocht pijpen, ik heb vriendelijk bedankt). Maar goed. Astrid schaamt zich vreselijk, dat is duidelijk. Er is nog een laatste bus om half een en die moet ze halen, maar ze heeft geen geld. Of ik. Een paar euro’s. Dat heb je dan met droommeisjes: ze willen geld. Ik geef haar wat ze nodig geeft.

4. Het appartement: het is iets buiten het centrum gelegen, in zo’n grijsbruin woonblok dat waarschijnlijk uit een communistisch verleden stamt. Er is geen internet en geen douchegordijn, verder is het min of meer in orde. Geen internet, dat lijkt een ramp, maar eigenlijk is het een zegen, het betekent bijzonder veel tijdwinst.

5. De seks: de volgende dag hoor ik de bovenburen bezig.

6. De oordopjes: dus koop ik oordopjes.

7. De stad en het bos: mijn eerste indruk van Ljubljana was verkeerd, merk ik vrij snel. De stad mag pittoresk zijn, ze bruist van het leven. Er is muziek op straat, er zijn restaurants en cafés, er wordt overal in dat prachtige en volstrekt onbegrijpelijke Sloveens gezongen en geroepen en gepraat (ik zal het later wagen om tegen iemand te beweren dat Pools toch wel complexer moet zijn dan Sloveens; ik word direct terechtgewezen). Meest eigenaardig zijn de salons op straat; naast de rivier staan geen stoelen en tafeltjes, maar heuse salons, netjes onder grote paraplu’s. Het lijkt op het eerste zicht eerder iets voor koffie drinkende oma’s, maar de salons zitten vol jonge mensen, rokend en lachend en onverstaanbaar. Langs het water speelt iemand mondharmonica. Ik ben de mijne al twee jaar kwijt, heb nooit een nieuwe gekocht. Ik heb in romantische buien nog hele avonden mondharmonica aan oevers gespeeld. De volgende dag koop een Hohner in C; eindelijk weer mondharmonica. Als ze in het appartement boven het mijne binnenkort nog eens bezig zijn, zal ik ze eens op een wilde blues trakteren.

Het valt op hoe homogeen de Slovenen zijn. Op de een of andere, niet helemaal correcte manier maakt het de boel nog gezelliger. Hier geen multicultigedoe; Ljubljana – heel Slovenië eigenlijk – lijkt een idyllisch eiland in Europa. Eilanden, utopieën moeten zuiver zijn en blijven; daarom ook loopt het meestal fout.

Maar minstens zo zeer als Ljubljana een stad is, is het een bos. Het Tivolipark is een immens sprookjesbos waarin je kunt verdwalen en alles vergeten; dat doe ik ook, ik ga joggen en moet een uur wandelen voor ik de weg terugvind.

8. Slavoj Zizek: de eerste week van mijn verblijf ga ik naar het DSP, de Sloveense schrijversorganisatie die de flat beheert. ‘Oei, je hebt geen internet’, zegt een gezette, kortademige man. Ik krijg koude koffie aangeboden. Omdat ik geen jota afweet van de Sloveense literatuur, krijg ik twintig boeken mee uit een naar het Engels, Duits en/of Frans vertaalde canonreeks. Ik dank. Vervolgens – ik heb een nieuwe koffie gekregen, deze keer lauw – begint het praatje over het laatkapitalistische consumentisme dat zo verkeerd en vreselijk is en een nieuwe vorm van censuur voorstelt. Ik knik maar.

En als we het er toch over hadden, over dat laatkapitalistische gedoe, besluit ik die avond maar direct de boekjes te doorbladeren die ik voor herlezing heb meegebracht. Zizek, de enige Sloveen die ik op voorhand kende. Zizek lezen is soms een pijniging, af en toe langdradig – wanneer hij te lang doordramt over Lacan – maar meestal verfrissend, prikkelend en niet helemaal vrijblijvend. Ik lees bijvoorbeeld, in een werk uit 2002, over de reactie van de Kerk op seksschandalen. Benieuwd of Léonard er ook zo over denkt. De reactie van de Kerk, zo Zizek, laat zien ‘hoe zij haar eigen rol opvat: de Kerk beweert hardnekkig dat die gevallen, hoe betreurenswaardig ook, een intern probleem zijn, en ze legt grote onwil aan de dag om met de politie in het onderzoek samen te werken. In zekere zin is dat inderdaad waar: misbruik van kinderen is een intern probleem van de Kerk, dat wil zeggen, een voortbrengsel dat in haar institutionele symbolische organisatie zelf besloten ligt. (…)’. En dus moet de Kerk zelf als institutie ‘aan een onderzoek onderworpen worden met het oog op de manier waarop zij systematisch de voorwaarden voor zulke misdrijven schept.’

9. De boekenwinkel: ik vind een antiquariaat waar in de etalage een Engels exemplaar van de verzamelde poëzie van Borges ligt. Ik heb die poëzie al, maar het lijkt me voldoende garantie om even binnen te gaan. De winkel valt tegen. Geen goede boeken en aan de kassa een dame die over het hogere begint. Misschien past ze nog als personage in de nieuwe roman die ik probeer te schrijven. ‘Inspiratie komt van boven’, zegt ze mij, en kijkt naar het plafond. Ik antwoord dat het mij toch vooral een kwestie van veel werk lijkt.

04/05/2010

saskia de coster bericht uit het Ledig House #1

Saskia De Coster verblijft nog tot 21 mei in Hudson (het groene hinterland van New York) als eerste Vlaamse auteur in de gereputeerde kunstenaarsresidentie Ledig House. Zij werkt er intensief aan een nieuwe roman. Af en toe zet ze de ramen van haar landhuis open en gunt ze ons een blik achter de schermen van haar schrijfverblijf:



Groggy. Aankomst in Hudson in Upstate New York. Voor Amerikanen op een boogscheut van de Grote Appel: amper tweeënhalf uur met de 4X4. Ik werp een blik uit het raam van mijn kamer en begrijp dat ik niet hallucineerde onderweg. Ik ben omsingeld – helemaal omsingeld door groen. Alles is groen op een paar plekken in het landschap na, zoals deze witte stip.




Een porch met ligstoelen. Ziet eruit als een Engels landhuis ... en dat is het ook. De drie landhuizen van de organisatie Artomi staan samen op een heuvel. Momenteel zijn we met vijf schrijvers, anderhalve per gebouwtje. Ik begin dadelijk aan mijn nieuw verhaal. Na een tijdje wordt de lucht zwaar van onweer. Oorzaak: de vijf schrijvers - uit Portugal, Turkije, USA, Australië en een land dat we gemakshalve voorlopig nog België noemen – zitten hier als zotten te schrijven, zo hard dat de lucht knettert van de opgewekte hersenactiviteit. ’s Avonds verzamelen we rond een geweldige kok die enkel de letter O nodig heeft om wereldfaam te claimen, Tom Carlucci. Het onweer barst los net als de discussies aan tafel, over alles behalve BHV. Oef. Een levenslijn wordt ingelegd door de man met de Tom Waits-whiskystem Jim, een local die naar de stad rijdt om alcohol te halen, en Walmartkleren voor de Turkse wier valies naar Rio de Janeiro is gestuurd.

Slaap wordt hier aanzien als iets quasi overbodigs. Waarom zouden er anders koffie, sigaretten en pillen bestaan? Klinkt allemaal lekker ongezond maar de omgeving is zo beestachtig gezond dat ik regenereer door in de hete middagzon rond te lopen. Ik ben hier nog maar een week maar mijn blik is al heel scherp geworden: ik zie mijn verhaal glashelder voor me, ik kijk uit het raam en kan door het vliegengaas de vlek in het groen herkennen: een konijn. Het kijkt naar de andere dieren in zijn wouden: herten, bergleeuwen en kalkoenen. En af en toe een paar schrijvers.


De residentie van Saskia De Coster kadert in een uitwisseling tussen Ledig House en Het beschrijf.

17/02/2010

Voor een bredere visie op het literaire veld in Vlaanderen

Dit standpunt van Sigrid Bousset (directeur Het beschrijf) verscheen gisteren in De Morgen.

Naar aanleiding van het opheffen van Het Andere Boek gaan er allerlei stemmen op. De ene beschouwt het wegvallen van deze alternatieve boekenbeurs annex auteursfestival als een verlies, de andere (en niet in het minst het bestuur van Het Andere Boek zelf) vindt dat er inmiddels voldoende alternatieven in Vlaanderen zijn ontstaan en we elkaar niet voor de voeten moeten lopen. Hoe het ook zij, Het Andere Boek was een prettig ontmoetingsmoment voor de mediatoren van het boek, voor de schrijvers en voor het publiek, en het eerste weekend van oktober zullen velen wat verweesd op zoek moeten naar een andere invulling van hun weekend. Twee dagen binnen blijven en een goed boek lezen bijvoorbeeld.

In plaats van meteen wat ongericht te gaan brainstormen over alternatieven, zoals vorige week al volop leek te gebeuren, lijkt het wegvallen van Het Andere Boek me een gelegenheid bij uitstek om het literaire veld in Vlaanderen, zoals het de voorbije 10 jaar is geëvolueerd, eens grondig te evalueren. Hoe is het aanbod aan literaire activiteiten geëvolueerd? Hoe gaan we om met spreiding en diversiteit? Welke toekomstvisie op literair Vlaanderen koesteren we? Op welke manier kunnen commerciële en gesubsidieerde initiatieven nog beter samenwerken? En hoe kunnen we de beleidsmatige ondersteuning beter afstemmen op de realiteit van het literaire veld vandaag?

Vast staat alleszins dat het literaire veld in Vlaanderen zich de voorbije jaren heeft geprofessionaliseerd en is geëvolueerd tot een bijzonder aantrekkelijke context, terwijl die een decennium geleden nog grotendeels bestond uit vrijwilligerswerk. Het ontstaan van het Vlaams Fonds voor de Letteren, van literaire mediatoren als Stichting Lezen, Het beschrijf, Passa Porta, Behoud de Begeerte en poëziecentrum (de laatste 2 trokken reeds vóór die tijd hun sporen), hebben door de ontwikkeling van een permanente professionele werking gezorgd voor een dynamisch literair klimaat. Manifestaties als Saint Amour, Het groot beschrijf en het latere Passa Porta Festival, Zuiderzinnen, Uitgelezen, De Nachten, de Literaire Lente met Zogezegd, al deze initiatieven kwamen tot bloei en het publiek is enthousiast gevolgd. In steeds grotere getale komen lezers luisteren naar wat auteurs te vertellen hebben. Ik kom vaak genoeg in Nederland om er te vernemen hoe onze Noorderburen met jaloezie kijken welk recept we in Vlaanderen gevonden hebben om bij grote literaire manifestaties zo vindingrijk te zijn en telkens zo veel publiek en potentiële lezers op de been te krijgen.

Het is nù het geschikte moment om even boven onze drukke agenda’s uit te stijgen en ons volgende vragen te stellen:
1. Zijn we tevreden over het literaire landschap vandaag? Zijn er lacunes en wat kan beter?
2. Hoe kunnen we de diversiteit van het literaire veld in Vlaanderen ondersteunen door een coherent letterenbeleid op lange termijn?

Een breed overleg, met actoren en de diverse subsidiegevers, is er rond de literaire sector bij mijn weten nog niet geweest. We hebben ons de voorbije jaren allen uit de naad gewerkt om onze literaire manifestaties en initiatieven vorm te geven en te verankeren, maar we hebben bijzonder weinig met elkaar gepraat. Ook tijdens de reflectienamiddag naar aanleiding van 10 jaar Fonds voor de Letteren bleven de literaire organisaties kortweg onbesproken. Met een overleg bedoel ik niet het bestaande boekenoverleg, hoe nuttig wellicht ook, waar de literaire dimensie slechts in beperkte mate aan bod komt. Ik bedoel een overleg tussen de belangrijke literaire actoren in Vlaanderen en hun subsidiegevers. Want wat dat laatste betreft: hoe krijg je nu uitgelegd dat de ene literaire organisatie door het Vlaams Fonds voor de Letteren wordt gesubsidieerd, de andere in het Kunstendecreet, een derde in het participatiedecreet en een vierde nominatim op de begroting staat?

Om het boeiende literaire veld zoals het zich vandaag presenteert de nodige kansen te geven op verdere groei en bloei, dienen de literaire actoren met zijn allen samen de balans op te maken en vooruit te kijken, en dient ook in het beleid orde op zaken te worden gesteld. Het tegengaan van de versnippering in subsidieverstrekking is alvast een duidelijk punt in de beleidsbrief van Joke Schauvliege.
Laten ook wij, literaire organisaties, ons eens flink bezinnen over waar we willen staan in 2020, maar liefst al eerder!


Sigrid Bousset
Directeur Het beschrijf

03/02/2010

Alle poëzie dateert van vandaag. Een weerslag van Gedichtendag 2010 in Passa Porta

door Petra Broeders van Het beschrijf



We schrijven donderdag 28 januari, Gedichtendag 2010. Passa Porta loopt stilletjes aan vol met humaniorastudenten, lezers van vandaag en morgen. Alle poëzie dateert van vandaag is de titel van het Gedichtendagessay van dichter Charles Ducal. Vandaag onderzoeken we samen met hem of deze versregel van Sybren Polet zo actueel is als Ducal beweert. Ons testpubliek: vijfdejaarsleerlingen uit enkele Brusselse scholen. Ter voorbereiding kregen ze drie gedichten voorgeschoteld: twee uit de vorige eeuw, 'Polonaise' van Paul van Ostaijen en 'Voor een dag van morgen' van Hans Andreus en het recente gedicht, 'Ik ben de tuinman met een alibi' van Els Moors. Zij is aanwezig en leest - zonder zich kenbaar te maken - de drie gedichten voor. De jeugd van tegenwoordig luistert aandachtig.

We beginnen ons onderzoek met de vraag wie welk gedicht het beste vindt en waarom. 'Voor een dag van morgen' krijgt de meeste stemmen. Waarom? ‘Omdat het herkenbaar is’, zegt iemand, ‘omdat het echt is en emoties oproept’. Het gedicht van Els Moors komt op de tweede plaats. Het wordt geapprecieerd omdat het een waaier aan beelden oproept en omdat je er zelf een betekenis aan kan geven. 'Polonaise' bengelt in de peiling helemaal achteraan. Een tiental aanwezigen koos voor dit gedicht omdat het zo speels klinkt en omdat het uitnodigt om een aantal keren gelezen te worden.

Charles Ducal is niet verrast door het resultaat. Het gedicht van Andreus leunt aan bij de spontane leeservaring. Het is daarom ook niet slecht om te vertrekken van een ‘eenvoudig’ gedicht. Ducal ziet geen kwaad in een songtekst als opstap naar meer. Maar het onderwijs moet die ‘meer’ ook stimuleren. Ducal is ervan overtuigd dat iedereen kan ‘leren’ poëzie te ‘lezen’. Hoe meer je leest, hoe groter je leesbereik wordt en hoe sneller je je eigen vertrouwde leefwereld durft te verlaten.

Ik denk terug aan mijn eigen poësisjaar, ondertussen alweer bijna 20 jaar geleden. Het is nooit tot een echt huwelijk gekomen tussen de poëzie en mij, een verstandshuwelijk misschien. Kwam dit omdat ik het vreemde niet durfde toe te laten of omdat de leraar die ons gedichten tot op het bot liet analyseren te weinig plaats liet voor de verbeelding? Het frustreerde me dat ik niet begreep wat er stond en er ook niets bij voelde. Los van de schoolse context ging ik wel op zoek naar taal die uidrukte wat in mijn zwartgeschilderde binnenkamers omging (ach puberleed). Ik las Jotie ’t Hooft, ontleedde teksten van The Doors en kwam zo terecht bij Rimbaud enz. Maar poëzie verdween al snel van mijn persoonlijke leeslijstje. Volgens de regels van de kunst verstond ik niet wat er stond.

Vandaag lees ik in het essay van Ducal: “Wie poëzie leest, leest geen rijmen, metrums of alliteraties, maar leest de wereld van alle mogelijke gedachten en gevoelens in een beeldentaal en een muziek die de innerlijke mens uit zijn taalgewenning schudt en hem, al is het maar voor één ogenblik, bevrijdt van zichzelf.” En ik geef de poëzie een tweede kans.

Laten we ons onderzoek voortzetten aan de hand van enkele stellingen: “Typisch aan een gedicht is dat ieder er zijn eigen interpretatie kan aan geven.” Ducal is het hier niet helemaal mee eens. Hij pleit ervoor dat je eerst moet vertrekken van wat er semantisch en grammaticaal staat. Pas dan ontstaat ruimte voor wat er niet staat.

Een andere stelling die hierbij aansluit wordt in de discussie gebracht: “Poëzie is het uiten van gevoelens, Daarom nodigt ze meer uit om geschreven te worden dan te worden gelezen.” Door de taal naar zijn hand te zetten kan een dichter iets sterks creëren. Het kan zijn dat de dichter vertrekt vanuit iets persoonlijks maar uiteindelijk is het de kracht van de taal die de dichter het vermogen biedt een goed gedicht te maken, aldus Ducal: “En die taal kan ons net zo diep en persoonlijk raken omdat de dichter er net niet zijn gevoel, verlangen of gemis heeft willen uiten, maar al zijn gevoelens, problemen en verlangens ontdaan heeft van hun persoonlijke kleverigheid door ze om te smeden tot regels met die onpersoonlijke kracht die ieder op zijn manier ervaart als een gedicht bij hem of haar de ruiten van de ziel inslaat.”

De dichter als intermediair, net als elke andere kunstenaar.

Op zijn beurt stelt hij een vraag aan het publiek: “Wie leent af en toe een bundel uit de bibliotheek?” Slechts twee procent van de aanwezige vingers gaan in de lucht. En volgens het essay van Charles Ducal is dat ook niet verbazend. Maar: “Ook al leest maar 2 % van het geletterd publiek na schooltijd nog poëzie, iedereen moet de kans krijgen om tot die 2 % te horen.”

Als ik de kans zou krijgen om terug te gaan in de tijd en Charles Ducal als leraar Nederlands hebben, dan zou ik deel uitmaken van die 2 %. Vandaag vraag ik om een herkansing.

Met dank aan de leerlingen en leerkrachten van het Maria Boodschaplyceum en Sint-Lukas Kunsthumaniora.

27/01/2010

Soort permanent Pinksteren


Poëzievertaler Erik De Smedt schreef op zijn blog een reflectie over BABEL, een dvd van Honoré d'O i.s.m. de Duitse dichter Ulf Stolterfoht - op initiatief van Het beschrijf - Vers Brussel.

Elk jaar sterven 26 000 soorten planten en dieren uit. Elk jaar sterven ook tien talen uit. En de Europese instellingen maken zich zorgen – niet zozeer over het feit dat zoveel officiële woordvoerders Engels spreken als wel dat bijna al die Europese woordvoerders 'native speakers' zijn en dus hun taalgebruik onwillekeurig kleuren met allerlei eigen culturele zinspelingen en bijgedachten. Zijn eenmaking en globalisering denkbaar zonder dat één medespeler het laken naar zich toetrekt en met behoud van de oorspronkelijke verschillen? Is eenheid in verscheidenheid een utopie? Een feit is dat Europa of liever de EU wel 's vaker met 'eenheidsworst' wordt geassocieerd. En wie is daar blij om?

Als een groot, fel oog (of is het een zon?) kijkt de brochure met de dvd die Honoré d'O in het kader van Vers Brussel maakte na zijn zwerftocht samen met de Berlijnse dichter Ulf Stolterfoht in de Brusselse Europawijk. De dichter schreef er het gedicht 'babel'. Honoré d'O liet het in de 22 andere talen van de Unie vertalen. Vervolgens lazen de vertalers hun versie voor in het Europees Parlement, waar op een middag in december 2008 cesky, Lietuviu, Ellenika, Nederlands, eesti, English, dansk, Balgarski, deutsch, suomi, Gaeilge, français, italiano, latviesu valoda, português, Româna, slovencina, slovenscina, Malti, espanol, polski, magyar en svenska weerklonken. (Mijn azerty-toetsenbord negeert de diakritische tekens en letters voor de eigen spelling van sommige talen, met excuses.) Terwijl de kunstenaar die lezingen opnam, werden er beelden van de Europawijk en het Parlement geprojecteerd.

Voor het kunstwerk dat de blijvende neerslag van dit project vormt – de pas verschenen brochure met dvd Babel. een poëtische film over de Europawijk – heeft Honoré d'O nieuwe beelden gemaakt, geïnspireerd door de verdwenen dierentuin die er ooit in het Leopoldpark van de wijk is geweest. Fascinerende opnamen, meestal in slow motion, van evenveel dieren in gevangenschap als de dvd talen laat horen: elkaar besnuffelende yaks (bijna abstracte haarkluwens), een hert achter een rots, dat vooral uit gewei lijkt te bestaan, sierlijk zwemmende otters, rozerode flamingo's, een spiedende witte uil, pinguïns die verrast worden door de regen, twee schildpadden die na al die trage bewegingen haast hyperkinetisch lijken, een in weelderig groen gebladerte verborgen beige roofdier, een knalgele kikker die onbeweeglijk lijkt (een still?) tot hij plots verspringt, een lethargisch uitgestrekt liggende panter, een massa vissen zwemmend in een aquarium ... Biodiversiteit ten top, en ik geloof niet dat iemand alle dieren (waarvan de tekstbrochure alleen de wetenschappelijke benaming in het Latijn vermeldt) meteen precies kan identificeren.

Dat kan je op het gehoor nog minder met de gesproken talen: wie onderscheidt zomaar het Slovaaks van het Sloveens, het Ests van het Lets? Maar de klank van al die verschillende taalmelodieën, ritmes, hortende fonemen en zacht vloeiende lettergrepen is al even fascinerend als de vormenrijkdom, de kleurenpracht en de variatie in beweging van de getoonde dieren. En dan te beseffen dat je in feite 23 keer dezelfde tekst hoort, of liever – zoals Umberto Eco literaire vertalingen karakteriseert – 23 teksten die 'quasi hetzelfde met andere woorden' zeggen.

Opmerkelijk: eentonig wordt deze dvd geen moment. Honoré d'O (iets anders kon je van hem niet verwachten) heeft de beelden net genoeg van elkaar doen verschillen, in kadrering, qua kleurstelling, in de wijze ook waarop ze worden uitgefaded, en tussen elke versie (dier/taal) seconden zwart begeleid door een (min of meer) herkenbaar vertrouwd geluid en een flits van een intrigerend (vertrouwd of net erg vervreemd) voorwerp. Een uitdaging voor de scherpzinnigheid van de kijker, een afwisseling met de traagheid van het opnieuw, als voor het eerst, kijken naar de dieren in de zoo en het geïntrigeerd luisteren naar de lezingen in de 23 talen. Wie wil, kan het oog laten dwalen naar de teksten die allemaal in de typografisch fraai vormgegeven brochure zijn opgenomen.

'Kom, laat ons afdalen [sprak Jahweh], en daar beneden hun spraak in verwarring brengen, zodat ze elkanders taal niet meer verstaan.' (Gen. 11:7) In zijn woord vooraf bij Babel schrijft Honoré d'O: 'The European heart of babel remains the independent (engaging) position of each language. It is a positive beating heart of right-minded voices. An inner benefit, a tingling, perhaps: not the sound of the language but the timbre and the individuality of 23 voices are bearing the weighty matter of Europe.' In Ulf Stolterfohts gedicht staat: 'babel is lieflijk, een oord voor de wildste syllaben, soort permanent pinksteren'.

Honoré d'O / Ulf Stolterfoht, Babel. A poetic movie about the European quarter / Een poëtische film over de Europawijk / Un film poétique sur le quartier européen, Vers Brussel / Het beschrijf, 2010 wordt op Gedichtendag (28.1, 18:00) voorgesteld in Passa Porta. De uitgave is daar en in de Europese culturele instellingen in Brussel verkrijgbaar.

16/12/2009

De vrije filosofe


Inleiding van Volkmar Mühleis bij de tentoonstelling ‘Tussen boeken en schrifturen’ van Ruth Loos, in Passa Porta (11.12.09 - 10.1.10)

Dames en heren,

Als ik soms radio-interviews met Nederlandstalige auteurs doe, voor de Duitse omroep Deutschlandfunk, dan vraag ik graag ook naar de houding van de auteur tegenover de vormgeving van zijn boek. Dimitri Verhulst zei bijvoorbeeld dat hij steeds minder op de vormgeving let, aangezien ze toch in handen van professionele vormgevers is, die soms zijn smaak treffen en soms ook niet. De kaft en het boek als materieel object interesseren hem dus minder dan wat erin geschreven staat. Anders is het gesteld met Marcel Möring: hij dwong zelf zijn Nederlandse uitgever om een lettertype te kopen, zodat zijn boek ermee kon worden gedrukt. Zeker zijn roman Dis gaat verder dan het geschreven woord: het boek bevat beelden, beeldverhalen.

De verhouding van taal en beeld wordt hier dus belangrijk, een gevoelig onderwerp zeker tussen schrijvers en beeldende kunstenaars. Laatstgenoemde houden vaak van boeken zonder teksten, van ‘kunstenaarsboeken’, zoals men graag zegt. Het materiële object, zijn verschijning en de beelden, hun dramaturgie en de irritaties van kijkgewoontes trekken dan meer de aandacht. Als een kunstenares zoals Ruth Loos het boek als thema voor haar werken kiest, dan zou men vlug een soortgelijk kunstenaarsboek – of kunstenaressenboek – verwachten. Maar Ruth Loos schrijft zich niet simpelweg in een genre in. Haar aandacht voor het boek reikt verder.

Hier in de gang van Passa Porta zijn bijvoorbeeld een aantal foto’s van haar te zien. Ze tonen tekeningen van boeken, vormen van schriftuur en plastische experimenten. Op één foto zie je papier dat met draad tot een boek geweven lijkt te zijn, met losse uitlopers van de draad tot ver voorbij het boek. De strakheid waarmee de draden het papier bijeenhouden herinnert aan een soort weefstoel waarop een wever tússen de draadjes in andere draden zou kunnen inweven, om vormen en beelden te laten ontstaan, zoals tapijtkunstenaars het sinds oudsher deden. Het wandtapijt als een open boek – herinnert dit niet ook aan vroege, geweven boeken, zoals het tapijt van Bayeux?

Het concept ‘boek’ is zoveel rekbaarder dan wat vandaag in de rekken staat. Als echo op dit ‘weefboek’ toont de kunstenares een tekening van een bijna verfspattend boekje. Het is groene verf. En wie al verder heeft gekeken in de reeks foto’s zal het groen niet los zien van de Arabisch lijkende schriftuur – groen is tenslotte ook de kleur van de Islam. De schriftuur lijkt op Arabische lettertekens, maar speelt niet meer dan op de vormen ervan in, en ontwikkelt ze verder. Ruth Loos heeft Arabisch gestudeerd, dus misschien zijn voor haar nog associatieve betekenissen met de oorspronkelijke tekens verbonden.

Een duidelijk verband met een bijzondere geladenheid van betekenissen legt Ruth Loos in haar tekening van de Koran. Hier ontmoeten we het boek in zijn grootste belofte: het allesomvattende te zijn, het enige, absolute boek. Ik denk dat het eerder om die betekenis gaat dan specifiek om de Koran. De Bijbel kent bijvoorbeeld dezelfde lading: de Bijbel betekent letterlijk hét boek. Tegelijkertijd is er een esthetisch verschil tussen de Koran en bijvoorbeeld het Nieuwe Testament. In de evangelies is de boodschap beslissend, zij kan wel op vier verschillende manieren worden verteld. In de Koran kent de boodschap maar één coherente vorm, die daarom ook als bijzonder schoon wordt aanschouwd. Deze vorm betreft de tekst en slechts indirect de vormgeving. De kunstenares trekt de vrije marge van de ontwerper open: met haar versies van het mogelijke uiterlijk van hét boek.

Ruth Loos citeert graag Jorge Luis Borges: “Een boek is niet een geïsoleerd bestaan. Het is een verhouding, een as van ontelbare verhoudingen.” Het is een structuur waardoor onze imaginaties kunnen communiceren, indirect, maar toch levendig. De vraag aan de kunstenaar is natuurlijk in hoeverre het zien van tekens niet louter een middel is om de verbeelding aan te wakkeren, maar hoe het zien of waarnemen zelf deel kan uitmaken van de verbeelding. Tekens zijn ook zelf verschijningen, ze bemiddelen niet alleen het verschijnen. Bijzonder boeiend vind ik een tekening die louter uit losse randjes en verdichte streepjes lijkt te bestaan en die de plastische verschijningsvorm van een boek heel zacht en fragiel naar voren brengt.

Zoals het citaat van Borges al aangaf: het boek is geen entiteit, geen zelfstandig object. Het is alles wat het aan praktijken mogelijk maakt: het schrijven en lezen, het verbeelden en waarnemen, het vormgeven en uit elkaar halen, het wenselijke aanreiken – Utopia – of het virtuele. Een praktijk is steeds een verhouding, maar geen, die men altijd kan omdraaien. Zonder een boek zou ik er niet naar grijpen, maar ik moet er wel naar grijpen, het initiatief nemen. En misschien stel ik jaren later vast dat dezelfde letters iets helemaal anders gaan betekenen. Aan de ene kant is er de onverschilligheid van de letter, het teken, het boek; aan de andere kant de manieren van communicatie. Ertussen liggen de verschijningsvormen: van het onverschillige van vreemde tekens tot en met de situatie waarin ze – voor mij toch – spreken.

Met het werk van Ruth Loos bevindt men zich precies in deze tussenzone, ergens tussen het onbekende, tekenachtige, en de uitnodiging tot deelname, communicatie. Deze uitnodiging gaat wat mij betreft ook al uit van de kleuren die zij gebruikt: geel, paarsrosé, warme tonen bruin en groen. Soms felle, maar nooit agressieve kleuren. Kleuren die intrinsiek over waarneming gaan, niet simpelweg onthouden of gezien moeten worden.

Als een boek alles is wat het aan praktijken mogelijk maakt, dan bepalen de praktijken het object. Ik denk dat de praktijken ook het subject bepalen. Ruth Loos is kunstenares, maar evengoed reflecteert zij het thema ‘boek’ in een aantal filosofische overwegingen. Misschien is zij de ware kunstfilosofe, als zij op deze twee benen staat: de artistieke én de beschouwende praktijk. Ik zal hier niet nader ingaan op haar bedenkingen bij het gedachtegoed van Karl Popper met het oog op het boek, daarvoor ontbreekt mij nu de tijd. Ik zou benieuwd zijn wat de filosoof bij deze beelden zou hebben gedacht. In zijn autobiografie Unended Quest (1974) schreef Popper: “Persoonlijk heb ik slechts vage visuele voorstellingen. Meestal kan ik alleen maar met moeite een duidelijk, gedetailleerd en levendig beeld in het geheugen oproepen (behalve bij muziek, daar ligt het anders). Ik denk eerder in schema’s, in disposities, die een bepaalde ‘richting’ van het denken volgen. En heel vaak denk ik in woorden, zeker als ik erbij ben om bepaalde ideeën neer te schrijven.”

Als de woorden wegvallen, blijven de tekens, abstract maar zinnelijk, onduidelijk, visuele ideeën. Je moet er geen filosofie in zoeken, je kan er een filosofie in zoeken. In de vrijheid van de ‘kunstenaresfilosofe’ ligt ook het vrij zijn van de filosofie.

Volkmar Mühleis is (Sint-Lucas Gent, KU Leuven) kunstfilosoof.

19/05/2009

Geert van Istendael in Praag

Schrijver Geert van Istendael was van 9 tot 16 mei 2009 een van de belangrijke buitenlandse gasten op de Praagse boekenbeurs. Zijn verblijf was het resultaat van een samenwerking tussen Het beschrijf en Literature Across Frontiers ter gelegenheid van het Tsjechische EU-voorzitterschap. Hieronder leest u een uittreksel uit zijn verslag. (Eerder dit jaar genoot de Tsjechische dichter Petr Borkovec van een residentie bij Het beschrijf in Brussel, waar hij te gast was op het Passa Porta Festival.)

"Europa is een heet discussiepunt in Tsjechië. De intellectuelen en schrijvers met wie ik spreek, vervloeken president Václav Klaus wegens diens luid verkondigde euroscepticisme. Ze zijn woedend en beschaamd tegelijk omdat de regering-Topolánek gevallen is tijdens het Tsjechische voorzitterschap en omdat de nieuwe overgangsregering bevolkt wordt door mensen uit het oude apparaat.
Geen wonder dat het idee van een Europese Grondwet in Verzen de Tsjechen zeer interesseert. Hun verwachtingen zijn hoog gespannen. Ze stellen bange vragen over Europa, ze zijn teleurgesteld in Europa en toch vinden ze de Europese constructie noodzakelijk. Het lijkt soms alsof ze verwachten dat de grondwet in verzen antwoorden zal bieden voor hun problemen, zoals vroeger de poëzie antwoorden leek te bieden op vragen die niemand in het openbaar mocht stellen. Dat bewees ook het programma in en rond de boekenbeurs. Ik heb het volgende gedaan:

13 mei. Een avond in de kelder van de onafhankelijke uitgeverij en boekhandel FRA. Onderwerp: de meertaligheid, het multiculturele Brussel, de werking van het Brussels Dichterscollectief en de Grondwet in verzen. Moderator was de schitterende dichter Petr Borkovec, die onlangs in Brussel verbleef. Ik kon gewoon Nederlands spreken, de onvolprezen Jana Pellarová vertaalde simultaan en vertoonde na afloop geen spoor van vermoeidheid, al had de zaak lang geduurd. Jammer genoeg zijn we niet meer toegekomen aan het voorlezen van poëzie.

15 mei. Op de boekenbeurs zelf, een openbaar gesprek met Jana Pellarová over het Europese labyrint. Kan België gezien worden als een schaalmodel van Europa? Als België niet langer mogelijk is, is dan de EU wel mogelijk? Hoe democratisch is de EU? Kunnen wij ons euroscepticisme permitteren, kunnen wij het tolereren? Wat is de functie van de Europese grondwet in verzen? Enz. Talen: Nederlands / Tsjechisch. Mooi om waar te nemen was het volgende. De auteurszaal, waar de discussie plaatsvond, was eerst schaars bezet, maar liep, gaande de discussie, langzamerhand vol. Bezoekers van de beurs komen voorbij, zien de aankondiging, blijven staan bij de brede ingang om te luisteren en komen uiteindelijk binnen.

16 mei. Op zaterdagmiddag om drie uur, lezen zes dichters die meeschreven aan de Europese Grondwet in Verzen (Petr Borkovec, Patrick McGuinness, Katerina Rudcenková, Eugenijus Ališanka, Clair Azzopardi, Geert van Istendael) en drie medewerkers van Literature Across Frontiers uittreksels voor uit de Europese Grondwet in Verzen. De talen: Tsjechisch, Engels, Maltees, Litouws. Ik gaf een korte toelichting over de rol van de dichters in de Europese hoofdstad, over de grondwet in verzen als een kritisch commentaar naast de wanstaltige en duistere tekst van de officiële grondwet, waarbij de poëtische taal fungeert als heldere lamp en gewet mes, over de logica en authenticiteit van het poëtische discours in vergelijking met het eurocratische discours; over de dichters die de grondwet teruggeven aan de mensen die er recht op hebben, nl. de Europese burgers.
De avondvoorstelling vond plaats in het kleine theater Viola, een magische plek. In de communistische tijd is het altijd een soort niche gebleven, een plek waar je kon zeggen wat elders verboden was. Het combineert café en (klein) theater zoals alleen de Tsjechen het weten te combineren. Tien dichters lazen voor. Er was ook een uitstekende jazzpianist. Talen: Tsjechisch, Engels, Frans, Litouws, Ests, Grieks, Nederlands. Jana Pellarová had speciaal voor deze gelegenheid twee gedichten van mij vertaald (deel twee uit Taalmachine, en het korte gedicht 'Zij voeren naar de poorten van de hemel'). Petr Borkovec las de Tsjechische versie. Daarna gaf ik omstandig toelichting bij de Europese Grondwet in Verzen en lazen we kort voor uit de grondwet. Op het programma dat iedere gast bij de ingang in handen kreeg, stond de tekst afgedrukt van de Europese hymne (David Van Reybrouck: 'Pane, pano, pain, pan, pa, pão...'). Dichters en publiek hebben de tekst plechtig samen gezongen, begeleid door de pianist. Ik kreeg de stellige indruk dat het publiek zijn eigen bisnummer wilde zingen, maar het was al laat op de avond.
Ik heb daarna nog twee interviews gegeven. Eén voor de Tsjechische wereldomroep in het Frans en één voor de gewone Tsjechische radio, telkens over de Europese grondwet in verzen. Jana Pellarová vertaalde tot de laatste snik, al moest ze daarna nog meer dan zeventig kilometer naar huis rijden.
Het tweewekelijks verschijnende Tsjechische cultuurtijdschrift A2 heeft een hele bladzijde met tal van uittreksels uit de grondwet in verzen gepubliceerd."

Met dank aan het Vlaams Fonds voor de Letteren voor de ondersteuning van Geert van Istendaels verblijf.

30/03/2009

Roman in de steigers?


Voor het Passa Porta Festival 2009 schreef Yves Petry in opdracht van Het beschrijf een tekst over arbeidsvreugde en -verdriet bij het schrijven van een nieuwe roman. Hieronder leest u een fragment. In de reacties leest u de antwoorden van collega-auteurs en generatiegenoten Saskia De Coster en Jeroen Theunissen
Foto (c) Kurt Deruyter

Toen me een tijd geleden werd gevraagd een tekst te schrijven over de roman in wording als bouwwerf, vond ik mezelf uitstekend geplaatst om op dat verzoek in te gaan. Ik was namelijk zelf begonnen aan een nieuwe roman, en woon pal tegenover een grote bouwwerf hier in Brussel Stad, waar achter de gepreserveerde gevels van een of ander oud gebouw een geheel nieuw inwendige wordt opgetrokken. Het zou me dus, op basis van mijn dagelijkse ervaring, niet zo moeilijk moeten vallen om enkele interessante overeenkomsten te ontdekken tussen mijn eigen bezigheden en het bedrijf dat ik door mijn raam kon zien. Maar gaandeweg kwam ik tot de vaststelling dat het verschil tussen beide vormen van activiteit veel wezenlijker en frappanter was dan eventuele parallellen.
Het begint ’s morgens al, heel vroeg in de ochtend, in de winter zelfs meer dan een uur voor de schemering intreedt, wanneer de bouwvakkers arriveren, en een machinebestand van drilboren en slijpschijven en hijskranen en betonmolens en luchtcompressoren zich ijverig in beweging zet, mij en de hele buurt trakterend op hun sissen en gieren en trillen en ratelen en daveren en ronken. Ikzelf daarentegen, ikzelf ben helemaal niet zo. Niet alleen begint mijn dag een stuk later, hij begint ook veel langzamer. En niet alleen begint hij langzamer, hij begint ook stiller en blijft veel stiller. Afgezien van een sporadische vloek, een machteloos stampvoeten, of, wat maar uiterst zelden voorkomt, het door de kamer slingeren van mijn stoel, uitingen van frustratie die mogelijk mijn onder- of bovenbuur nu en dan eens vreemd doen opkijken, denk ik niet dat mijn geschrijf iemand last bezorgt. Kijkend door mijn raam naar de luidruchtige en ononderbroken activiteit die zich aan de overkant van de straat afspeelt, voel ik me veeleer een potplant op de vensterbank die traag en geruisloos blad na blad probeert te ontvouwen.
Om kort te gaan, ik vind dat het schrijven van een roman meer weg heeft van een organisch groeiproces dan van een bouwproces.
Aan de doelgerichtheid en de gestage vorderingen op de bouwwerf ligt een intelligent ontwerp ten grondslag. Het eindresultaat is op voorhand al helemaal uitgetekend, en een zorgvuldige planning geeft aan in welke volgorde de verschillende taken moeten worden uitgevoerd om dat eindresultaat te bereiken. Als er zich geen situaties van overmacht voordoen, zal het afgeronde geheel op een vooraf beraamd tijdstip kunnen worden opgeleverd. Er bestaat een niveau van planmatigheid en berekening van waaruit toezicht kan gehouden worden op de voortgang van het werk. In de fantasiewereld van wat tegenwoordig Intelligent Design wordt genoemd, schijnt men te geloven dat ook de ontwikkeling van levensvormen gestuurd wordt vanuit een dergelijk toezichthoudend niveau. Maar als ik spreek over een organisch groeiproces, dan denk ik eerder aan een organisme in darwinistische zin: het groeit blindelings, en al gebeurt dat daarom nog niet willekeurig, het wordt niet geleid van bovenaf. Het groeit van binnenuit, zonder te weten waarheen of waartoe.
Ik ga me niet bezondigen aan het cliché waarin de schrijver wordt vergeleken met een aanstaande moeder, zijn nakende roman met haar rijpende vrucht, en zijn meest recente publicatie met haar jongste bevalling. In mijn geval is deze vergelijking om te beginnen al een veel te idyllische voorstelling van zaken. Nee, als ik in heel die zwangerschapsvergelijking voor mezelf al een rol zie weggelegd, dan is het nog eerder die van de foetus. Nu zult u misschien denken dat de rol van de foetus toch al is ingenomen door de roman in wording. Maar daarop antwoord ik dat de schrijver en de roman niet van elkaar mogen worden onderscheiden. De schrijver deelt geheel en al in het lot van zijn werk. De onvolkomenheden ervan zijn de zijne, de beperking ervan is zijn eigen beperktheid. Als de schrijver niet schrijvende is, is hij op dat moment ófwel geen schrijver, ófwel is hij zijn roman in sluimertoestand. Veel schrijvers weten zich, wanneer ze niet aan het schrijven zijn, nog wonderlijk goed staande te houden in een wereld die nagenoeg volledig door niet-schrijvers wordt geregeerd. Maar ik zal wel niet de enige schrijver zijn die er regelmatig bijloopt als een sluimerend figuur, een uit zijn vruchtwater weggerukte foetus, geplaagd en bezwaard door verlangens naar een voltooiing die nog lang niet is bereikt.
Wanneer de schrijver wel schrijvende is, valt hij helemaal samen met het moeizame voortkruipen van de zinnen, met stagnatie en abrupt betekenisverlies, of godzijdank heel af en toe met de perfecte passage, waarin alles wordt gezegd wat gezegd moest worden, en wel met de maximale helderheid en uitdrukkingskracht die de natuurlijke taal ons toestaat. Ja, heel af en toe zal mijn onder- of bovenbuur me horen uitbarsten in een jubellied, al zal dat mogelijk niet minder vreemd of verontrustend klinken dan het gooien met een stoel.

YVES PETRY
Gepubliceerd in De Standaard der Letteren van 27.3.09. Klik hieronder op 'reacties' voor de antwoorden van Jeroen Theunissen en Saskia De Coster.

03/02/2009

Verslag 'Over de zin en onzin van "Vlaamse poëzie"'


door Bart Van der Straeten
(eindredacteur Ons Erfdeel, criticus De Morgen)

‘Dat er zich een debat zou ontwikkelen naar aanleiding van de verschijning van Hotel New Flandres. 60 jaar Vlaamse poëzie 1945-2005 was te hopen en te verwachten. Maar dat de toon van de gevoerde discussie zo bitsig zou worden en het debat verre van constructief was, dat hadden we niet zo ingeschat,’ zo opende directeur Sigrid Bousset het debat ‘Over de zin en onzin van “Vlaamse poëzie”’ dat Het beschrijf aan de vooravond van Gedichtendag 2009 organiseerde (28.1.09). Wegens “gebrek aan vertrouwen in een gesprek dat überhaupt nog sereen zou kunnen verlopen” hadden Hans Vandevoorde (wiens recensie op De Contrabas verscheen) en Philip Hoorne (criticus Knack), de twee meest uitgesproken stemmen in de receptie van Hotel New Flandres (uitg. Poëziecentrum, 2008), afgezegd voor het debat. Dirk De Geest, hoogleraar aan de K.U.Leuven, leidde dan maar een beschaafd gesprek tussen Dirk van Bastelaere, een van de drie samenstellers van de bloemlezing Hotel New Flandres, en Hugo Brems, hoogleraar Nederlandse literatuur aan de K.U.Leuven en auteur van Altijd weer vogels die nesten beginnen (2005), de geschiedenis van de naoorlogse Nederlandse literatuur (van Vlaanderen én Nederland dus) die deel uitmaakt van een nieuwe, door de Nederlandse Taalunie geïnstigeerde, geschiedenis van de Nederlandstalige literatuur.

Vlaams en/of Nederlands
Over de zin van het beschouwen van de 'Vlaamse poëzie’ als een aparte entiteit hadden beide heren uitgesproken ideeën. Hugo Brems meende dat er goede redenen bestaan om de literatuur van Vlaanderen en Nederland samen te beschouwen, net zoals er goede redenen bestaan om beide apart te bestuderen. Enerzijds zijn op institutioneel gebied de Vlaamse en Nederlandse literatuur relatief sterk op elkaar betrokken. Er bestaan vele tijdschriften met gemengde Vlaams-Nederlandse redacties; Vlaamse dichters publiceren vaak bij Nederlandse uitgeverijen, er bestaan gezamenlijke prijzen enz. Maar anderzijds bestaan er ook eigen, puur Vlaamse literaire instellingen, zoals de Herman de Coninckprijs. Op literatuurhistorisch vlak hebben zich in Vlaanderen en Nederland wel dezelfde ontwikkelingen voorgedaan, maar dat gebeurde op een verschillend tempo en in elke regio werden eigen accenten gelegd. Er is een dynamiek van verwijdering en toenadering op verschillende momenten. Dirk van Bastelaere meende dan weer dat de focus die in Hotel New Flandres op 'Vlaamse poëzie’ gelegd wordt, vaak verkeerd begrepen is. Het Vlaamse poëtische systeem is volgens hem een autonoom semiotisch systeem. Vlaamse dichters die beginnen te publiceren, verhouden zich in de eerste plaats tot het oeuvre van de Vlaamse dichters rond hen en voor hen. Het Vlaamse systeem is een dynamisch systeem dat bestaat uit teksten. De beperking tot ‘Vlaamse poëzie’ heeft dus niets te maken met ‘Vlaamse geborneerdheid’, maar met een specifieke, systeemtheoretische kijk op de geschiedenis van poëtica's. Van Bastelaere betoogde dan ook dat het feit dat het Nederlandse en het Vlaamse poëtische systeem grotendeels teksten uit dezelfde taal bevatten, niet betekent dat er een bevoorrechte relatie zou bestaan tussen beide systemen. Nee, de grootste vernieuwingen in het Vlaamse systeem kwamen volgens hem uit andere systemen dan het Nederlandse.
Op dit punt verschilde Hugo Brems met hem van mening. De relatie tussen de Vlaamse poëzie en de Nederlandse poëzie vertoont veel meer continuïteit dan die met andere buitenlandse literaturen, argumenteerde hij. Maar het zou ook zin hebben de relaties te onderzoeken tussen de Vlaamse en Franstalige poëzie bijvoorbeeld. In het fin-de-siècle stonden die intens met elkaar in verhouding.

Stromingen en breukmomenten
Hoe dan ook heeft de bloemlezing Hotel New Flandres zich beperkt tot de naoorlogse Vlaamse poëzie. Wat is nu kenmerkend voor die naoorlogse Vlaamse poëzie, vroeg Dirk De Geest zich af. Wat valt daarin op? Hugo Brems beschreef in zijn antwoord de Vlaamse poëzie als een fluctuatie, een opeenvolging van stromingen. Het experiment in de jaren 50 werd afgewisseld door het neoralisme van de jaren 60 en de neoromantiek van de jaren 70. De postmoderne poëzie in de jaren tachtig vormt het laatste moment van een uitdrukkelijk geëxpliciteerde poëtica. De periode daarna wordt gekenmerkt door een naast elkaar bestaan van verschillende poëtica's. Ook heeft de poëzie zich de jongste jaren losgemaakt van zijn traagte. Zij krijgt een meer evenementiële verschijningsvorm: op festivals bijvoorbeeld, en op het internet. Poëzie functioneert op een nieuwe manier in de maatschappij.
Voor Dirk van Bastelaere zijn de breukmomenten het opvallendste feit in de naoorlogse Vlaamse poëzie. Het feit dat er door de publicatie van één bundel, De Oostakkerse gedichten van Claus, of De lenige liefde van De Coninck, plots dingen in de Vlaamse poëzie mogelijk werden die daarvoor niet aanvaard zouden zijn geworden. Precies die breukmomenten heeft hij, samen met medesamenstellers Erwin Jans en Patrick Peeters, dan ook als structurerend principe gebruikt voor de bloemlezing. Een gevaar daarbij is dat je als bloemlezer of als literatuurhistoricus de vernieuwingsmomenten gaat favoriseren tegenover de continue stroom van meer conventionele poëzie waartegen de vernieuwing gebeurt. Het is, volgens Hugo Brems, een verdienste van Hotel New Flandres dat de bloemlezing net heel goed de ‘gelijktijdigheid van het ongelijktijdige’ laat zien; dat ook de achtergrond in beeld wordt gebracht waartegen de evolutie zich aftekent.

De keuze van de samenstellers
Dat werd duidelijk uit de gedichten die de HNF-samenstellers op verzoek van Het Beschrijf kozen uit hun bloemlezing. Elk van de samenstellers, én Hugo Brems, bracht in de loop van de avond één gedicht naar voren dat uit het boek dat ‘iets zegt’ over de Vlaamse naoorlogse poëzie. Erwin Jans opteerde voor ‘Waternegers’, een gedicht uit 1957 van Marcel Coole. Het gedicht is vrij traditioneel, zeker in vergelijking met Claus' Oostakkerse gedichten, die twee jaar voordien in boekvorm waren verschenen. Het is dan ook niet als esthetisch object belangrijk, maar als historisch document: omdat het een van de weinige gedichten is in de naoorlogse Vlaamse poëzie dat iets zegt over de kolonisatie.
Dat de samenstellers in hun selectie streefden naar een zo breed mogelijke diversiteit, bleek ook uit het gedicht dat Patrick Peeters te berde bracht: ‘Reeksen 18 Inventaris: Blokken’ van Annie Reniers (1982). Dit gedicht werd niet alleen opgenomen omdat het geschreven werd door een vrouwelijke dichter – dat óók - maar ook omdat het een gedicht is dat toch vooral een “gewone” tekst lijkt te zijn en zo de diversiteit aan tekstsoorten illustreert die de Vlaamse poëzie tentoonspreidt.
Dirk van Bastelaere koos met ‘Ars Poëtica’ (1984) van Jan Vanriet dan weer voor een voorbeeld van een gedicht dat een achtergrond vormt waartegen de vernieuwing zich afspeelt. Het gedicht bevat echo's van tal van andere dichters: van Claus, Jooris, Gruwez. En zo illustreert het ook hoe poëzie die op een bepaald moment innovatief is, al snel tot de conventie gaat behoren. Dit gedicht conformeert zich gewillig met tal van conventies die op dat moment golden in het Vlaamse poëtische systeem.

Kreunen onder het gewicht
Uit het publiek kwam daarop de vraag of Van Bastelaere daarmee ook geen waardeoordeel uitspreekt: vindt hij gedichten kwaliteitsvoller als ze innovatiever zijn, en minder kwaliteitsvol als ze zich scharen achter wat op een bepaald moment conventioneel is? Het antwoord was ontkennend: de opdracht van het Poëziecentrum was een overzicht te brengen van de Vlaamse poëzie na 1945 en niet een van de voorkeursgedichten van Dirk van Bastelaere. Innovatie is maar innovatie als ze wordt opgepikt door anderen en wordt verspreid. Gedichten als deze doen dat en hebben dus hun plaats in zo'n overzicht. De samenstellers hebben natuurlijk door het feit van de selectie alleen al in zekere zin kwaliteit toegekend. Bij die selectie hebben zo voornamelijk het criterium van de diversiteit gehanteerd: ze wilden een zo breed en divers mogelijk beeld geven van de naoorlogse poëzie in Vlaanderen, en het bestaande, gereduceerde beeld dat ons door de media en andere instanties wordt opgedrongen, corrigeren. Zo zijn er van Herman de Coninck alleen poëticale gedichten gebloemleesd.
Misschien, zo opperde Hugo Brems, wil Hotel New Flandres wel te veel tegelijk: én een correctie bieden op bloemlezingen als die van Komrij, die gebaseerd zijn op de persoonlijke voorkeur van de bloemlezer, én een correctie bieden op de beperkte canon die door zulke bloemlezingen en door de media wordt geconstrueerd, én een zo divers mogelijk beeld geven van de naoorlogse Vlaamse poëzie, met aandacht voor verscheidenheid in vorm en inhoud. Het boek kreunt wellicht onder het gewicht van al die criteria. Bovendien gaat de inleiding, waarin een en ander op een ironisch-theoretische manier uit de doeken wordt gedaan, wellicht de beoogde doorsnee poëzielezer en -koper te boven.
Niettemin kwam er een woord van dank uit het publiek. Auteur David Van Reybrouck bedankte de samenstellers voor de vele dichters die hij zonder Hotel New Flandres niet had leren kennen. Hij vergeleek de methode die de samenstellers hanteerden met die van negentiende-eeuwse antropologen: net als deze presenteren de bloemlezers hun object, in dit geval: de Vlaamse poëzie, als een sociaal-evolutionistische ontwikkelingsgang. Toch maken zij daarbij, net als hun negentiende-eeuwse tegenpolen, natuurlijk ook esthetische keuzes, omdat je nu eenmaal niet àlles kunt opnemen. Misschien, opperde Van Reybrouck, was het eerlijker geweest toe te geven dat bij de selectie ook onvermijdelijk een esthetisch perspectief heeft meegespeeld. Daarnaast, vond Van Reybrouck, heeft Hotel New Flandres de historische ontwikkelingslijn wel heel erg laten domineren boven tal van andere mogelijke lijnen.
Zoals gezegd mocht ook Hugo Brems, ter afsluiting van de avond, een gedicht voorstellen dat ‘iets zegt’ over de Vlaamse poëzie. Hij koos niet zijn favoriete gedicht, want dat zou 'Een kus in Ter Kameren' zijn van Jos de Haes, maar wel ‘Zwart lam’ van Hubert Van Herreweghen. Dat gedicht toont volgens hem aan dat ook ‘traditionele’ dichters, die op geen enkel moment innovaties in het poëtische systeem hebben gebracht, zich toch vernieuwd hebben. Zo is Van Herreweghen in zijn latere werk veel meer taalplezier gaan toelaten. Dit ‘Zwart lam’ illustreert dat uitstekend.

Een Vlaams cadeau voor Nederlandse lezers

Wat ‘Zwart lam’ nog illustreert, is dat Vlaamse dichters een andere positie kunnen innemen binnen het Vlaamse poëtische systeem dan binnen het gemeenschappelijke Vlaams-Nederlandse poëtische systeem. In Vlaanderen wordt Van Herreweghen als een van de grotere traditionele dichters beschouwd. In Nederland is zijn werk echter zo goed als onbekend. Net daarom is het misschien een goed idee, zoals Dirk De Geest aan het eind van de avond stelde, een boek als Hotel New Flandres cadeau te doen aan Nederlandse kennissen. Dan kan het serene debat , dat op deze avond met Vlaamse stemmen gevoerd werd, in het Noorden van het taalgebied voortgezet worden.


Zie ook:
Marc Reugebrink over deze debatavond
Benno Barnard over HNF
Huub Beurskens over HNF
Philip Hoorne over HNF
Marc Reugebrink over HNF
Bart Van der Straeten over HNF
Yves T'Sjoen over HNF
Hans Vandevoorde over HNF

Voor de reactie van de samenstellers op de ontvangst, zie Hotel New Flandres blog

06/12/2008

Vers Brussel in het Europees Parlement


VERSLAG DOOR VERTALER ERIK DE SMEDT (4/12/08) - Voor het vertaalproject 'babel' van Vers Brussel was het een bijzondere dag. Bijna twintig EU-vertalers waren vanmiddag in het Europese parlement aanwezig om de versie van Ulf Stolterfohts gedicht in hun moedertaal voor te lezen. Voor de buitenstaanders een gelegenheid om de 'vesting Europa' te leren kennen. Want daar heeft het wat van. Eerst het gebouw proberen te vinden. 'Europees parlement = Europese wijk = Schumanwijk, dus met de metro tot Schuman' bleek een verkeerde veronderstelling. Voorbijgangers op straat de weg vragen, is ook niet zo'n goed idee. Iemand wou me naar het station Luxemburg sturen en zei dat het 'very far' was. Omdat ik dat niet kon geloven, op goed geluk zelf wat straten overgestoken tot ik de weg helemaal kwijt was. In een winterse bui nog maar iemand aangesproken (in die buurt doe je dat voorzichtigheidshalve in het Engels) die als bij wonder ook naar het parlement moest ... en een Duitse bleek. In het Altiero Spinelligebouw zijn de veiligheidsmaatregelen vergelijkbaar met die op de luchthaven, metaaldetector inbegrepen. Dat parlement heeft overigens iets van een glazen huis, al moest ik eerder aan een serre denken. In de wandelstraten binnen vind je zowat alles, tot en met een KBC-bankfiliaal. Je hoeft zelfs niet meer naar buiten als je bomen of de lucht wil zien.

In de indrukwekkende ronde vergaderzaal A5G3 moesten de tolken en vertalers nu 's niet achter glas in de cabines plaatsnemen, maar op de voorste rij. Een voor een lazen ze hun vertaling van 'babel', alfabetisch volgens taal, van Bulgaars tot Zweeds. Intussen waren er op groot scherm in loop trage beelden te zien die Honoré d'O eerder in het gebouw had gemaakt. Een imposante stenen kop (bij navraag Paul Henri Spaak), dichtslaande klapstoeltjes, onbemande rijen in het parlement, een klok die 360° draaide en dus steeds een andere tijd aangaf. De kunstenaar vertelde achteraf dat hij dit videobeeld bijna niet had kunnen maken, omdat niets van de EU-bewakers langer dan twee minuten mocht worden gefilmd. Dat de voertaal bij vorige workshops en sessies overwegend Engels (soms een beetje Frans of Duits) was geweest, leek nu vergeten. Net als in het gedicht, hadden de 'drieëntwintig tongen' het voor het zeggen.

Spraakverwarring is het niet het juiste woord, maar een uitzonderlijke ervaring was het wel – en een ultieme weerlegging van de 'eenheidsworst' waar Europa vaak mee wordt geassocieerd. Volgende week komen de teksten op de website van Vers Brussel. Nu was het luisteren, gissen, vluchtig herkennen en toegeven dat veel je ontgaat. Die 23 talen zijn grondig uit elkaar gedreven. Hoe zou iedere aanwezige de voor haar of hem echt 'vreemde' talen hebben aangevoeld? Wat zou ieder erin hebben geprojecteerd? Zou het Hongaars ook voor anderen zo muzikaal hebben geklonken, als kamermuziek in sourdine? Het Lets zo magisch-sprookjesachtig? En het Pools zo dramatisch, alsof er een hele scène (in niet-theatrale zin!) werd gemaakt? En hoe zou Nederlands overkomen in Italiaanse, Maltese, Sloveense of Zweedse oren? Eén zinnetje klonk vandaag met bijna twintig accenten: "Verstaat u mij? Ja, als u niet te vlug spreekt". De dichter citeert het in 'babel' in het Nederlands (een vondst uit zijn Langenscheidt taalgidsje). 'Ergens voorbij de woorden gebeurt het' – zegt Huub Oosterhuis in zijn essay 'De tweede taal' – 'dat mensen elkaar verstaan.' Door ons met twintig te buigen over dat ene gedicht 'babel' hadden we even geen tolk meer nodig. Of zoals Ulf Stolterfoht schrijft: "babel is lieflijk, een oord voor de wildste syllaben, soort permanent pinksteren". (Erik de Smedt)

21/10/2008

Vers Brussel - Poetry Translation Workshop with Ulf Stolterfoht

In juni ’08 streek het stadspoëzieproject Vers Brussel van Het beschrijf neer in de Brusselse Europawijk.



EN/ Earlier this year German poet Ulf Stolterfoht visited the European district by invitation of Vers Brussel, the urban poetry project of Het beschrijf. As a result he wrote the intriguing poem ‘babel’. Belgian artist Honoré d’O will now create a temporary work based on this poem. On Sunday 19 October 17 candidate-translators, mostly working for the European Institutions, attended a poetry translation workshop as preparation for their own version of the poem. In the comments on this entry you may follow how the poet and his translators exchange views on a number of translation issues. The poem itself is already available in German, Dutch and French on Vers Brussel's own website.

NL/ De Duitse dichter Ulf Stolterfoht bezocht de Brusselse Europawijk en schreef vanuit deze ervaring het gedicht 'babel'. Voor het tijdelijke beeldende werk van Belgisch kunstenaar Honoré d’O wordt het gedicht nu vertaald naar de 23 officiële Europese talen. Op de website van Vers Brussel leest u Stolterfohts gedicht in het Duits, het Nederlands en het Frans.
Vertalers en tolken van de Europese instellingen werken momenteel gezamenlijk aan hun versies van dit eigentijdse gedicht. In de onderstaande commentaren bij dit bericht kunt u volgen hoe dichter en vertalers hun praktische ervaringen uitwisselen.

04/07/2008

Vooraf

Vanaf seizoen 08-09 kunnen auteurs in het kader van hun projecten met Het beschrijf hier discussies voeren en foto's en teksten plaatsen.

Zie de Zenne / Senne en scènes

During the Summer of 2007, at the initiative of Het beschrijf, five writers living and working in Belgium each explored a specific location along the river-bed of the Senne.

From its source at Soignies (novelist Yves Petry) to its confluence with the Dijle near the city of Malines (novelist Xavier Deutsch), running through Tubize (poet Paul Bogaert), Brussels (poet and novelist Xavier Queipo), and Vilvoorde (playwright Layla Nabulsi).
The authors each wrote a literary column based on their experiences on the spot, and later assembled condensed versions of their texts to make a poem in the shape of a “cadavre exquis”.

This material was then used by Walter Verdin to create this five-part video, which was exhibited at the International House of Literatures Passa Porta in Brussels, Belgium, from 23 September till 14 October 2007.

The project was initiated by the literary organisations Het beschrijf and Entrez Lire, at the occasion of the opening of the cultural season 07-08 at Passa Porta, International House of Literature.

This is part one, the Senne at Soignies, with a text by Flemish novelist Yves Petry.

Zennescènes-Senne en scènes 1 Yves Petry - Soignies



This is part two, the Senne at Tubize, with a text by Flemish poet Paul Bogaert.

Zennescènes-Senne en scènes 2 Paul Bogaert - Tubize



This is part three, the Senne in Brussels, with a text by Galician writer Xavier Queipo.

Zennescènes-Senne en scènes 3 Xavier Queipo - Brussel/Bruxelles