04/11/2013

Ivo Victoria in Pittsburgh: dag 13.

Vanochtend reden Henry en ik naar Roslynn Farms, een stadje net buiten Pittsburgh. Grote huizen, grote tuinen, schitterend herfstweer, de geur van brandend hout in de lucht.
Ik was uitgenodigd voor een brunch bij de ‘honorary consul to Belgium’ van Pittsburgh, Anne Billiet Lackner, een hartelijke dame uit Kortrijk die ook na 33 jaar Amerika haar West Vlaams accent prima had geconserveerd. Ze leerde Vince, haar man, kennen toen hij in Leuven studeerde en professioneel basketbal speelde bij Kruibeke.
We dronken Mimosa’s als aperitief. Champagne met jus d’orange en dat was eigenlijk best lekker. Het was een klein gezelschap, waarvan maar liefst vier mensen in meer of mindere mate Nederlands spraken. Mij werd verzekerd dat dit een unicum was, in Amerika dan, welteverstaan. Het haardvuur brandde. Ik zat naast de broer van Vince, die jarig was. Een muzikant. Hij noemde talloze beroemde namen van bands en muzikanten waarmee hij had gespeeld in de jaren zestig en zeventig maar hij leek het meest trots op het album dat hij in 1976 had uitgebracht met de Walnut Band, waarvan ik deze song op YouTube vond.
Tijdens het eten werd me herhaaldelijk gevraagd de migrantenproblematiek in Nederland en België te duiden. Dat overkomt me hier wel vaker. Een dame had gelezen dat Brussel was ‘overgenomen’ door Marokkaanse jongeren. Ik probeerde de politieke situatie in beide landen te schetsen maar pas toen het woord moslimfundamentalisme viel, had ik door waar die vragen vandaan kwamen. Overigens moest ik ook tijdens deze, verder prettige, gelegenheid bij het afscheid het nieuws brengen dat de reuze eend ontploft was. Niemand schijnt op de hoogte zijn. Vreemd toch. Maar goed, je kan de mensen niet in onwetendheid laten.
’s Avonds belde ik met mijn Amerikaanse neef, die een uurtje rijden van Pittsburgh woont. Hij is een cop van beroep en zo klonk hij ook. Binnenkort ga ik bij hem op bezoek. Ook daar verwacht ik vragen.

03/11/2013

Ivo Victoria in Pittsburgh: dag 12.

Het was een bont gezelschap, bijeen gekomen om de doden te vieren. Dia de muertos. De Mexicaanse gastvrouw – een danseres – had heerlijk gekookt. De Spaanse gastheer – werkzaam in het Museum of National History, gespecialiseerd in reptielen – liep rond zoals je van een Spaanse gastheer kan verwachten: trots, rechtop, minzaam.
Ik sprak een Chileense fysiotherapeute, een gepensioneerde medewerkster van de Deense ambassade in Washington, een Argentijnse biologe, een Amerikaanse beeldend kunstenaar. Allemaal vrouwen. Ik sprak alleen maar met vrouwen. Typisch mij.
In een muur was een nis gecreëerd die men had ingericht als eerbetoon voor de doden. Foto’s te midden van bloemen, koekjes, een glas rode wijn.


 Later die avond werd er ook gedanst. Ik dacht aan de verschillende doden die ik heb gekend en in gedachten zocht ik al naar een geschikt plekje in ons huis in Amsterdam waar ik volgend jaar ook zo’n nis kan inrichten, mensen uitnodigen, lekker eten en wijn drinken in goed gezelschap.
Aan het eind van de avond raakte ik in een lang gesprek verwikkeld met een dame die hartfilmpjes maakt in het Allegheny Medical Hospital, naar verluidt één van de beste in Amerika. Ze kreeg vanalles over de vloer: rijke buitenlanders, de loodgieter om de hoek, gevangenen onder begeleiding van twee bewakers. Ze vertelde dat het maken van zo’n filmpje geluid maakte en hoe elke patiënt – zonder te weten wat er aan de hand was – op die geluiden vertrouwde om zijn of haar eigen diagnose te stellen. Iemand met een luide, zompige hartslag, ten gevolge van een lekkende hartklep, zei: ‘Een mooie, zware slag. Dat is vast goed.’
Tot slot moest ik een dame vertellen dat de gigantische badeend was ontploft. Het nieuws kwam hard aan. De eend had tot de dag voor mijn aankomst hier in Pittsburgh gedobberd, en haar geschrokken reactie gaf mij het gevoel dat ik medeplichtig was.

02/11/2013

Ivo Victoria in Pittsburgh: dag 11.

Silvia Duarte, de hoofdredacteur van Sampsonia Way, het magazine dat aan City of Asylum verbonden is, nam me mee uit eten. Langs de imposante kathedraal van Pittsburgh reden we naar een trendy winkel- en uitgaansbuurt in het oosten van de stad, omgeven door prachtige villa’s, het soort villa’s dat een veranda heeft waarop schommelstoelen staan met zicht op de enorme voortuin. Weinig mensen weten dit, maar later, als ik groot ben, wil ik ook een huis met een porch.
Silvia emigreerde zes jaar geleden naar Amerika vanuit Guatemala, samen met haar man, schrijver Horacio Castellanos. Tijdens het eten hadden we het over weggaan uit je thuisland en hoe de mensen die je achter hebt gelaten veel sneller zien dan jij hoe je bent veranderd. Daarna spraken we over religie, het masker der beleefdheid dat de Amerikanen dragen, en porno.
Toen we terug naar de auto liepen, was het fris buiten maar de straten werden gevuld met jonge Amerikaanse meisjes met blote benen en armen, veelal kunstig en Halloweengewijs geschminkt.
‘Hoor je hoe die meisjes praten?’ zei Silvia. En ze gaf een prima imitatie ten beste, haar stem hoog, overdreven articulerend, en kinderlijk waarbij ze haar verfijnde Zuid-Amerikaanse gezicht in een onmogelijke grimas plooide.
Aan het eind van de avond kwamen we in de enige buurtkroeg terecht. Silvia vertelde dat ze een essay van David Foster Wallace over porno had gelezen en daarna, uit professionele overwegingen, enkele porno video’s op internet had bekeken.
‘Die actrices,’ zei Silvia, ‘praten net zoals die meisjes op straat. Vind je niet?’
Uiteraard kon ik dit bevestigen noch ontkennen maar ik vermoed dat Silvia hier iets op het spoor is.

01/11/2013

Ivo Victoria in Pittsburgh: dag 10.

‘Lydia had er vorig jaar driehonderd.’
Ik sta in de kleine grocery store, op de hoek van wat ik nu, na tien dagen, gewoon mijn straat ga noemen. Ik wil snoep kopen voor Halloween en heb om advies gedaan.
‘Ja, maar wij woonden vroeger vier straten verderop, daar kwamen ze helemaal niet!’
‘Ze moeten je kennen. Jou kennen ze niet. Wij hadden er vorig jaar honderd.’
Het woord kinderen wordt niet gebruikt. Overbodig. Het gaat om de juiste kwantiteit. Men probeert mij uit alle macht te helpen, er wordt gesproken op een toon die verraadt dat zij weten wat zal gebeuren wanneer ik verzaak. Ik glimlach maar vanuit mijn borstkas ontsnapt ongezien een lange, diepe zucht. Ik koop voor tien dollar snoep.
Met het plastic tasje in de hand loop ik terug naar huis. Deze week werkte ik ongeveer twaalf uur per dag en ik ben niet eens halfweg in het herwerken van dat verdomde boek. En volgende week is een korte want ik heb een lezing en ga een lang weekend naar New York. En dan rest er nog een dag of tien voor ik terug vlieg. Welbeschouwd is mijn hele verblijf hier al voorbij.
Ik doe het snoepgoed in een schaal en zet die klaar bij de deur. Ik ga op bed liggen, heel even maar, een klein dutje om straks langer door te kunnen werken, en uren later schrik ik wakker van de deurbel – ding dong – en zit rechtop in de duisternis alsof alles wat nog staat te gebeuren slechts een droom is.

31/10/2013

Ivo Victoria in Pittsburgh: dag 9.

Vannacht ging de deurbel. Twee korte buzz-geluiden snel na elkaar, zo plots dat het huis leek mee te trillen. Het was kwart voor vijf.
Ik slaap hier al niet best. Het boek spookt door mijn hoofd en de twijfels en euforische momenten lossen elkaar in hoog tempo af. Dan zijn er de Amerikanen. Lieve mensen die graag luid pratend over straat lopen, vooral wanneer de duisternis valt. De eekhoorns die zich vermaken met het bouwmateriaal van het huis naast mij waar werkmannen deze week vloeren leggen, veelal luid pratend. En tot slot de Allegheny River, of ten minste, de boten die er varen, tenminste, ik vermoed dat het meerstemmig geweeklaag dat op gezette tijden vanaf de rivier door de wijk komt waaien, een donkere, droevige drone, alsof er iemand te betreuren valt – en dat valt er altijd – van die schepen afkomstig is.
Gedurende enkele seconden lag ik als een bange wezel in bed, klaarwakker, de ogen wijd open, te luisteren naar verdachte geluiden op straat. Niets. Ik nam mijn iPhone en checkte email. Er zat een bericht bij over een kwestie die al lang aansleept en die mij plots enorm op de zenuwen begon te werken. Helemaal klaar mee. Er moest vaart achter worden gezet, linksom of rechtsom, ik zou die zaak oplossen en wel nu. Ik ging achter de computer zitten en beantwoordde de email op niet mis te verstane wijze, het zou me alleszins niet verbazen als ik van die wijze nog eens spijt ga krijgen. Daarna ging ik weer naar bed en viel in een diepe droomloze slaap.
Om acht uur ging de deurbel. Eén korte buzz. Wie, in godsnaam, en waarom? 
Een kwartier piekeren later, stond ik op en zette koffie. Ik trok een broek en t-shirt aan en liep naar de voordeur die ik opende. Ik keek in de brievenbus – niets. Ik groette één van de werklui – ‘Morning.’ En ik drukte op mijn eigen deurbel – DING! DONG!
Kortom. Twee keer wakker gebeld door een eikel die niet blijkt te bestaan. Bepaald geen geruststellende gedachte.

30/10/2013

Ivo Victoria in Pittsburgh: dag 8.

’s Middags skypete ik met Lou Victoria die vandaag 2 werd. De tijd vliegt, zeggen ze dan. Ik weet nog hoe we drie uur nadat we naar het ziekenhuis vertrokken, alweer terug thuis op de bank zaten, een beetje verbouwereerd kijkend naar de maxicosi die op tafel stond.

Lou had weinig oog voor papa; te druk met pakjes open doen. Ook Lola deed vrolijk mee en Liefje hield de laptop weg van haar, gericht op die twee dus daar zat ik, te kijken door een vreemd soort raam naar mijn eigen huis en leven.

Daarna ging ik boodschappen doen. Het is warm in Pittsburgh. Het gaat richting de twintig graden – twee dagen geleden viel er nog sneeuw. Bij de liquor store vroegen ze niet om ID. Alweer geen goed teken.

Aan het eind van de dag, na het avondeten, werkte ik nog een paar uurtjes door. Plotsklaps ontdekte ik een zwoele, zinderende zomerse scène midden in een winterse verhaallijn. Die stond daar al een jaar lang. Nooit wat van gemerkt. Een steengoeie scène, weliswaar, dat wel, maar één die echt alleen maar in de zomer plaats kan vinden. Bedtijd, zeggen ze dan.

29/10/2013

Ivo Victoria in Pittsburgh: dag 7.

Veel valt er over dag 7 niet te melden. Voor het eerst maakte ik zelfs geen wandeling door de buurt terwijl het schitterend weer was. Wat kan ik zeggen? Het grote hermonteren van Boek 3 is begonnen.

Vanochtend zag de vloer er zo uit:















En vanavond zag de vloer er zo uit:















Dus je ziet: dat schiet lekker op.

27/10/2013

Ivo Victoria in Pittsburgh: dag 6.

Vandaag wandelde ik voor het eerst de stad in. De voorbije dagen wilde ik absoluut wat problemen oplossen aangaande Boek 3 en daar ging ik zo in op dat ik ei zo na onherroepelijk vast kwam te zitten, of zo voelde het toch. Uiteindelijk besloot ik op vrijdag om het boek eerst maar eens te gaan lezen en – zal je altijd zien – er bleek inderdaad allerlei geruststellends in te staan waarvan ik niet meer wist dat ik het had geschreven. Prima.
Nu liep ik door het park, onder de snelweg, via de Andy Warhol Bridge over de Allegheny river het downtown cultural district in. Theaters, café’s, kunstgalerietjes. Het was er ontstellend rustig. Ik liep nog wat verder, tot op een plein met nog meer cafés en restaurants, en uiteindelijk belandde ik tussen allemaal wolkenkrabbers in dezelfde stijl, enorme kathedralen van zwart glas.
Na een uurtje liep ik terug de brug over, naar huis. Ik ben inderdaad niet het type dat meteen het volle leven induikt wanneer ik ergens verblijf. Stap voor stap, steeds een beetje verder, dat is meer mijn stijl. Misschien durf ik volgende week wél de bus te nemen - je weet het niet.
Toen ik Sampsonia Way weer inliep, passeerde ik de Mattress Factory, dat op zo’n honderd meter van mijn huis is gelegen. Mijn oog viel op een inscriptie in de gevel, een quote uit de roman Invisible Cities van de Italiaanse schrijver Italo Calvino: ‘Arriving at each new city, the traveler finds again a past of his that he did not know he had: the foreignness of what you no longer are or no longer possess lies in wait for you in foreign, unpossessed places.’
Een prima samenvatting, eigenlijk, van waar Boek 3 over gaat. Dus eenmaal thuis, kocht ik het e-book, zette het op mijn reader en begon te lezen.

Ivo Victoria in Pittsburgh: dag 5.

Henry nodigde Yaghoub en mij uit om mee te gaan naar een jazz concert. Randy Weston, een beer van 87 jaar oud. Wanneer hij loopt kan je zien dat alles kraakt, maar toen hij eenmaal zat was het een genot om van hoog in de tribune op zijn enorme handen neer te kijken die soepel over de toetsen dansten, moeiteloos en vrij.
Het waren mooie nummers, met speelse motiefjes en wanneer de band samen speelde begreep ik wat ik zo mooi vind aan jazz. Daarentegen, toen de obligate solorondjes kwamen, begreep ik weer wat ik zo vervelend vind aan jazz. In Boek 3 zegt een personage: Redelijkheid is als jazz, alles wat er goed aan kan worden gevonden is juist wat het zo onuitstaanbaar maakt.
Maar op één moment gebeurde iets wat je zelden ziet, of wat ik zelden voel: de bassist soleerde, al scattend, en verdween zo in zijn spel dat hij haast het bewustzijn verloor. De zaal barstte in juichen uit en de bassist stopte abrupt en opende de ogen, wijd en verbaasd, alsof hij wakker werd. Ik dacht: hopelijk kent hij de theorie van de glimpse of god. Wanneer je boven jezelf bent uitgestegen is het voor de creatieve geest beter dit toe te schrijven aan een macht die buiten jezelf staat – want hoe kan je anders de volgende dag, wanneer je weer een gewoon mens bent, terug aan het werk? (Ik dien er bij te vertellen dat ik dit allemaal maar van horen zeggen heb, hoor.)
Op de weg naar huis moest ik nog even de communautaire kwestie in België uitleggen aan Yaghoub. Altijd wanneer men mij dit vraagt in het buitenland neem ik de gelegenheid te baat om te proberen in zo weinig mogelijk woorden zo snel mogelijk tot de essentie te komen, en al helemaal wanneer het mij wordt gevraagd door iemand uit Iran die daar in een niet zo heel luxueuze gevangenis heeft gezeten omdat hij een boek had geschreven. Deze keer zei ik: “Ah, well, it is a childish debate, that prevents us from doing what really needs to be done.”
Geen onaardige poging, al zeg ik het zelf en godzijdank begon hij niet over Zwarte Piet.

26/10/2013

Ivo Victoria in Pittsburgh: dag 4.

Voor het eerst sliep ik slecht. Het was een frustrerende schrijfdag geweest en om half tien was ik uitgeput en al lezend in slaap gevallen op bed. Rond middernacht werd ik wakker, legde het boek weg, en probeerde de slaap te hervatten. Dat lukte niet. Het was koud, ik was onrustig.
Om half zeven werd ik uit mijn halfslaap gewekt door een whatsapp bericht van Rob Waumans waarin hij meldde dat hij vast aan het bier ging. Ik checkte mijn email. Twee berichten trokken mijn aandacht. Allereerst: Waumans & Victoria hebben een prima subsidie ontvangen van het Nederlands Letterenfonds om in 2014 met een avondvullende versie van ons literair spektakel door het land te gaan toeren. Fantastisch nieuws. Ik ging gelijk aan de koffie.
Ten tweede: een dringend verzoek van de Belgische ambassade in Nederland om de ambassadeur te bellen. Allerlei gedachten gingen door mijn hoofd. Werd ik onder diplomatieke druk de US uitgezet? Had men in de gaten gekregen dat ik bij de paspoortcontrole, voor de sport, had gelogen? Was er thuis iets gebeurd – een brand, mijn voltallige gezin omgekomen, een boodschap die met tact via officiële weg moest worden overgebracht alvorens de onmiddellijke repatriëring in werking te stellen? Alles leek beter dan aan het werk te moeten. En het wás ook beter: ik werd uitgenodigd om kennis te maken met het kersverse Belgische koningspaar op een besloten receptie in Den Haag. Ik met Filip en Mathilde. Ik zag mogelijkheden. Maar helaas, ik ben te laat weer terug in Nederland om ze te kunnen benutten.
Ik keek naar buiten, het was grijs, volgens mijn iPhone 1 graad koud. Henry mailde om te vragen of ik voldoende warme kleding bij me had. Met frisse tegenzin printte ik Boek 3 uit. Het begon te sneeuwen. Ik zette nog een pot koffie, legde de eerste bladzijden klaar om te gaan lezen en dacht: alles gaat goed, alles gaat goed, dit is dag vier, en alles gaat goed.

25/10/2013

Ivo Victoria in Pittsburgh: dag 3.

Ik maak een lange wandeling door de buurt, op zoek naar bier uiteraard. Nu hou ik er niet van om de weg te vragen. Ik hou er sowieso niet van om dingen te vragen, ik zoek het liever zelf uit en dat verklaart wellicht waarom ik het meestal niet vind. It comes with the job.
De voorbije dagen heb ik me te pletter gedacht over die ene vondst waarvan ik weet dat ik hem nog nodig heb om Boek 3 in een beslissende plooi te leggen. Eén simpele, fijne vondst waarmee ik dat hele boek in een houdgreep kan nemen. Maar hoe harder ik nadenk, hoe meer ik mezelf verlam.
Bier dus. Na anderhalf uur wandelen, door het park, langs straten die ofwel een bibliotheek hadden, ofwel een voedselbank, kom ik terecht bij een beer distributor op vijftig meter van mijn huisje.
Ik wil flesjes Budweiser kopen, maar Sam, de eigenaar van de zaak die al meer dan veertig jaar bier verkoopt in deze wijk, weigert op charmante wijze de door mij begeerde waar te verkopen. Ook al is hij Italiaans, hij kan geen Italiaans en hij denkt ook als een Amerikaan: in kwantiteit. Blikjes. Een krat blikjes kost net zoveel als een krat flesjes, alleen: je krijgt er dan meer.
Nu hou ik alleen van Budweiser, een zeer middelmatig biertje zoals u weet, als ik het ijskoud uit een flesje kan drinken. Dus een kwartier kletsen verder, nadat ik alle foto’s heb bekeken van Sams kinderen – vijf zonen en twee dochters – en in het bijzonder die van de zoon die in Italië profgolfer is, op een schiereiland vlakbij Venetië, waar Sam eens per jaar twee weken met vakantie gaat, en nadat we het hebben gehad over Hoegaerden, en Heineken, en Grolsch, en het feit dat hij mijn Engels accent maar niks vindt, koop ik een krat met 24 blikjes Budweiser.
Thuis gekomen bekijk ik opnieuw de schematische korte inhoud van Boek 3. Elk hoofdstuk samengevat in een paar lijnen en terwijl ik dat doe en opnieuw nadenk over De Vondst, klik ik zo’n blikje open, gekoeld in de oude koelbox van Sams ouders die de zaak in 1968 begonnen en ik zucht en ik drink en het smaakt naar helemaal niks.

24/10/2013

Ivo Victoria in Pittsburgh: dag 2.

Yaghoub Yadali woont drie huizen verderop in Sampsonia Way. Hij komt uit Iran. We zijn beiden uitgenodigd om een presentatie over City of Asylum bij te wonen, thuis bij stichter en directeur Henry Reese. De presentatie is bedoeld voor potentiële mecenassen. Een tiental mensen is op komen dagen. Een dame, groot, iets te zwaar en helemaal in het zwart, reageert verheugd wanneer ik haar vertel dat ik uit Antwerpen afkomstig ben.
‘Daar ben ik wel eens doorheen gereden.’ Ik glimlach. Uiteraard is Brugge mooier.
Ik voel mij met regelmaat slecht over mijn gebrek aan sociaal engagement, dat ik niet kan verklaren en dat mij, sinds ik schrijf, steeds meer dwars begint te zitten. Je zou zeggen dat daar makkelijk iets aan te doen is. Wat minder over jezelf schrijven bijvoorbeeld, en wat meer over andere mensen. Het is geen desinteresse. Het is meer de angst een domme mening te formuleren – iets waar weinig mensen deze dagen last van lijken te hebben – ik moet daar vanaf.
Alles wat je als artiest in Iran maakt, moet langs het ministerie van cultuur, dat je werkplan, script of wat dan ook preventief censureert. En als je het eenmaal gemaakt hebt nóg een keer.
Yadali's roman Adaab-e Bi-Gharari (The Rituals of Restlessness) was goedgekeurd voor publicatie en werd een bescheiden bestseller. Drie jaar na verschijnen stond hij – na klachten van lezers over een al te expliciet liefdesverhaal – alsnog voor de rechter en werd veroordeeld tot 1 jaar gevangenisstraf. Dat schijnt vaker te gebeuren: dat de Iraanse regering kunstenaars veroordeelt voor werken die door die regering zelf zijn goedgekeurd. 
Na veertig dagen werd hij vrijgelaten onder internationale druk op voorwaarde dat hij vier essays zou schrijven over onderwerpen die de regering zou bepalen. Dat weigerde hij. Uiteindelijk kwam hij alsnog in Pittsburgh terecht.
Ik zeg tegen Yaghoub dat elke schrijver kampt met de wetenschap dat zijn werk gelezen zal worden, en dat ik probeer die gedachte dagelijks te ontvluchten omdat ze een rem zet op mijn schrijven, dat de schrijver die rekening houdt met de buitenwereld, gedoemd is te stoppen met schrijven. Eigenlijk.
‘In Iran heb je drié vormen van censuur. De regering. De lezers. En jezelf,’ zegt Yaghoub Yadali op dezelfde zangerige toon als hij net een kort verhaal voordroeg, en hij glimlacht dromerig terwijl hij van zijn glas rode wijn nipt. Bijna alsof hij het mist.

23/10/2013

Ivo Victoria in Pittsburgh: dag 1.

Ik verblijf in het noorden van Pittsburgh, vlakbij het baseballstadion van de Pittsburgh Pirates, een notoir losers team dat dit seizoen verrassend goed presteerde, en het football stadion van de Pittsburgh Steelers, een kampioenenploeg die dit seizoen vooralsnog teleurstelt. Het lijkt hier wel de eredivisie.
Sampsonia Way is gelegen in een wijk die Mexican War Streets heet. Er is niks Mexicaans aan. De wijk dateert uit 1848, ten tijde van de oorlog tussen Amerika en Mexico. Ik wist niet dat er ooit een oorlog tussen die twee landen was geweest maar nu wel dus daar ga je al. Het is er erg mooi. Prachtige gerestaureerde Victoriaanse huizen. Twintig jaar geleden was dit een slechte wijk maar de grens met de armoede en criminaliteit verschuift jaar na jaar verder noordwaarts. Het lijkt hier wel Amsterdam.
City of Asylum, de organisatie die mij ontvangt, heeft een vijftal huizen op Sampsonia Way gekocht en gerestaureerd. Ze zijn beschilderd met gedichten en street art. De belangrijkste missie van City of Asylum is om onderdak te bieden aan schrijvers die in hun eigen land niet meer welkom zijn. Ik ben niet een van die schrijvers, geloof ik, hoop ik, ik ben een ‘gewone’ writer-in-residence.
Op de glazen voordeur van een van die huizen staat een gedicht van een Chinese dichter gekalligrafeerd. Het gedicht gaat over hoe hij in de gevangenis zijn geest ‘vrij’ probeerde te houden. Dat deed hij door ingewikkelde wiskundige problemen op te lossen – hij schreef ze uit op rollen wc-papier, in inkt die hij fabriceerde uit voedselrestanten en god weet wat al niet meer.
Verder zag ik vandaag drie eekhoorns in de straat. Toen ik even later boodschappen ging doen, kwam ik een man tegen met een hond die zich voortbewoog met behulp van een soort omgekeerde rollator: zijn achterste, kreupele pootjes rustten op het vehikel, met zijn voorste pootjes bewoog het dier zich voort. Geinig.

22/10/2013

Ivo Victoria in Pittsburgh, dag 0.

De vlucht heeft vijf uur vertraging. Achter mij in de rij staat een vrouw van staal die naar een compensatieregeling vraagt en zucht en zegt: ‘Het is ook een waardeloos toestel.’
Ik geloof haar, ik denk dat deze dame weet wat ze zegt maar eerst nog vijf uur wachten. Ik lees De weg naar zee van Elke Geurts. Het is goed, heel goed, ongemakkelijk maar ook heel grappig, een beetje als Elke zelf maar donkerder hoop ik, voor Elke en al wie haar omringt.
Wanneer ik halfweg ben, word ik gebeld door Rob Waumans. Hij zegt: ‘Heb je het gehoord van Thomas Blondeau?’ en ik weet onmiddellijk dat Thomas dood is en Rob zegt: ‘Hij is dood.’
Waarom weet ik dat onmiddellijk? Wellicht is het de toon waarop Rob het vraagt die ik herken van alle andere keren dat mensen mij aan de telefoon hebben verteld dat iemand dood was. Wellicht is het mijn eigen angst om dood te gaan. Wellicht zijn het de tranen van Lola toen we daarstraks afscheid namen en de blik in Liefjes ogen toen ik zei dat ik van haar hield.
We praten wat. Ongeloof. Diepe zuchten. We kennen Thomas geen van beiden erg goed. Wel was ik op zijn boekpresentatie begin september. De keren dat ik hem in het vermaledijde literaire circuit tegen het lijf liep kon hij afstandelijk overkomen, bijna té erudiet ironisch en gemaakt beschaafd maar op die boekpresentatie was hij anders. Nederig haast. Kwetsbaar. Waarom vond ik dat? Wellicht was het de manier waarop hij de ogen neersloeg toen Suzanne Holtzer sprak. Het gemak, grenzend aan mededogen, waarmee hij de plaagstoten van Ramsey Nasr opving. De trots in zijn ogen toen ik hem vroeg wie dan zijn nieuwe liefde was en hij ze aanwees. Dat vond ik mooi. Maar dat heb ik natuurlijk weer niet gezegd.
Ik zit te wachten bij gate B13 in Philadelphia Airport terwijl ik dit tik. Met wat geluk ben ik binnen een uur of twee in Pittsburgh. Over het toestel dat ons vanuit Amsterdam hierheen bracht kan ik weinig zeggen, ik heb geen verstand van vliegtuigen. Maar het was een waardeloze vlucht – dat is zeker.

20/10/2013

Pittsburgh, dag -1.

Het weekend verloopt alsof ik morgen dood ga. Alles voor de laatste keer. Dat heb ik wel vaker wanneer ik voor een verre reis sta, dat ik denk, nog één keer heerlijk ontbijten, nog één laatste zoen, en: wat zullen ze op de harde schijf vinden, zijn er nog dingen die ik moet wissen?
In 1993 studeerde ik vier maanden in Londen met een Erasmusbeurs. Dat was de laatste keer dat ik gedurende langere tijd alleen was, zonder mensen uit het normale dagelijkse leven om mij heen. Toen was ik dus twintig jaar jonger, en druistig, ongeduldig om zo snel mogelijk zo veel mogelijk mensen te leren kennen en dat alleen zijn te verdrijven. Ik weet nog hoe ik bij aankomst van de sneltrein stapte, Londen in, en hoe bang ik toen was.
De oudste is naar zwemles met haar moeder. De kleinste zit Max & Ruby te kijken. Dadelijk ga ik inchecken, mijn koffers pakken en een paar films op de iPad zetten om op het vliegtuig te bekijken. Eentje staat er al een hele tijd op, een tip van mijn redacteur, die geduldig heeft gewacht op een gelegenheid met de juiste symboliek: Once Upon A Time In America.


Van 21 oktober tot 21 november, verblijft Ivo Victoria als writer in residence bij City of Asylum in Pittsburgh, USA.

28/11/2011


Writer in residence Neel Mukherjee is staying in Passa Porta’s writer’s flat. He blogs weekly on this experience, the texts are posted on the website of project partner the British Council and of host Het beschrijf.






A POSTSCRIPT
I’m back home in London now. It feels like I’ve returned from an intensive exercise regime. When you enter the gym after years of slobbing and zero exercise, you feel cold terror: surely you’re going to have a heart attack if you step on the cross trainer, the treadmill is bound to swallow you, you’re going to die of hyperventilation … Slowly the increased alveolar capacity, the existence of hitherto unsuspected muscle groups, the body’s amazing capacity to deal with ‘good pain’ all take you by surprise, then you take them for granted. How good it feels. Then there’s all that endorphin rush.

The trick is to continue performing at that peak condition, perhaps even push it further, in un-gym-like conditions. Will I be able pull it off?
Every writer will tell you that there is a long-ish stage after beginning a book when they can walk away from it without much cost involved. Then something topples; you reach a stage when you know that you will have to finish the book or it will finish you. My residence in the Passa Porta writers’ apartment brought me to that point of no-return.
I found several things in Brussels: the heart of my novel-in-progress; the ability to work; some tangible result to show for my 6-week stay; solitude. But I also found something more elusive, more contested: happiness. I can truly say that I was happy in Passa Porta.

15/11/2011


Writer in residence Neel Mukherjee is staying in Passa Porta’s writer’s flat. He blogs weekly on this experience, the texts are posted on the website of project partner the British Council and of host Het beschrijf.



Blog #4
The act of writing, when it goes well, is a kind of restlessness for me. I pace up and down in between sentences, a lot of the times even mid-sentence. It’s a jittery kind of excitement, knowing, yes, I can write about this small thing, a sentence or two at a time, which does not reflect dullness or lifelessness back at me. I’m in a meditative stupor when things are NOT going well. So I’m at my most attentive to the outside world, paradoxically, when the inside world is becoming more and more credible to me. It’s no secret how much I value indolence, idleness, and the attendant boredom that is a natural consequence of having the luxury of time. One of the things that I do when I hit that strangely beautiful boredom-in-idleness is to look out of the window a lot; my time in Brussels has been an intermittent yet long narrative of that gazing.

There is a luxuriant honeysuckle creeper, miraculously still in flower, on the corner of Oude Graanmarkt and Moutstraat, against the edge of one wall of the Greek restaurant Menelas, directly opposite one of the windows of the front room that looks out onto the square (which is not actually a geometric square, more a narrow quadrilateral very gently tapering towards my side of things). What must they have been thinking to want to name a restaurant after Western literature’s greatest cuckold? On the window of the first-floor-apartment adjacent to ‘Menelas’, an umbrella palm, a spider plant, a weeping fig, and a succulent whose name I do not know. In the window of the apartment on the same level but in the next building, two unmistakable scented-leaf pelargoniums. And I thought I was the only person who grew them indoors. The world is the same everywhere.

The second building down Moutstraat is a school. Three times a day, at 12, 2 pm and 3:30 pm, it spews out large groups of children and teenagers: noisy but never rowdy or misbehaved, they briefly hang out in street corners, full of swagger and chatter and laughter. They seem so happy, all of them. They do brief dance moves, play with their cellphones, josh each other, stand in little groups, bubbling over with friendliness and joy and life. The world really is the same everywhere.

And the first building, the one closest to me, right next to the school on Moutstraat? It’s a construction site. My heart sank when I first saw it but in the nearly six weeks that I’ve been here I don’t remember being disturbed by construction noise – and what can be worse than that? – at all except for a brief period in the middle of one day only. The name of the building company is Herpain. To the English-dominated ear, what does that sound like? A gender-joke in bad taste about labour? An unpleasant transmittable disease? Odd, the things and details one picks up: I know the name of the laundry services used by Atlas Hotel next door (Fortex, in case you’re interested). They take away the bedlinen in pink-and-blue candystriped cloth bags and the towels in blue-and-green striped ones. The bags resemble huge bolsters.

A man cycles past on the square, bearing a huge origami of a dinosaur at the back of his bicycle. The world is not the same everywhere; every place is different.

10/11/2011

Writer in residence Neel Mukherjee is staying in Passa Porta’s writer’s flat. He blogs weekly on this experience, the texts are posted on the website of project partner the British Council and of host Het beschrijf.



Blog #3

Boredom is a bonus that the gift of time brings. Yes, it’s a bonus, you read that correctly; one to be accepted by a writer with greed and profound gratitude. Writers are often asked where a book comes from, or which other writers or books have influenced them. Most of us try, gamely and honestly, to answer those difficult questions but the truth is shorter and, on one level, simpler: most of us don’t have access to that part of our brain where books originate, where influences work their reactive chemistry. The region is too deep for us to know consciously and talk about with any degree of truthfulness. But a lot of writers will admit that when they hear a low hum of boredom in their lives they are approaching the stage before they get to what Keats immortalised as ‘negative capability’. When your life is an unstoppable carousel of duties or full of events and excitement, very little space is left inside the head for things to fester – used advisedly; think of what Yeats wrote, that ‘Poetry is made in the foul rag-and-bone shop of the heart’ (my italics) – and give rise to the germ of your book.

On the other hand, 6 weeks of uncontested time of which you cannot retrospectively say with dismay and regret, ‘Oh, it all went in living my routine life of doing this and then that and then I went out for lunch and had coffee with so-and-so then went to the post office/supermarket …’, puts you in a position to understand and empathise with the characters in Waiting for Godot, who, because they’re waiting, experience time in its purest form. In a residency too; in the (long) lulls between writing the dark matter, as it were, that expands to fill the gaps life is a weak, mildly enjoyable form of boredom. And it is this state that you need to reach to have things cooking away in that part of your head you don’t have access to. It may sound irrational – and I guess it is, being more a matter of belief than something provable – but in my experience I have found that there is a very simple positive correlation between creativity and times of dullness and stasis (and, correspondingly, a negative correlation between productivity and a busy/thrilling/teeming-with-people-and-events kind of life).

The American writer Vestal McIntyre writes to me about the benefits he found in a residency, ‘how the change in my thinking was the very best part – very calm thinking. At Yaddo I fell asleep at 9pm for a few nights and got very frustrated because that was my reading time. Then I just got into it and started falling asleep at 9, even 8, and waking up when it was still dark and thinking for an hour or two in that quiet, beautiful room before getting up –just wandering. It was so good for my writing.’ (He also adds, ‘The room was filled with Patricia Highsmith's old furniture that she had willed to Yaddo.’ I bet that helped.)
Boredom is a greenhouse; beautiful flowers grow there. I’ll leave talking about one such flower for my next instalment.

03/11/2011



Writer in residence Neel Mukherjee is staying in Passa Porta’s writer’s flat. He blogs weekly on this experience, the texts are posted on the website of project partner the British Council and of host Het beschrijf.


Blog #2
I grow scented-leaf pelargoniums indoors, where they seem all right enough, becoming spindly and straggly and bolting for a bit before curling down like a creeper which cannot keep up the fight against gravity any longer. They look sparsely frothing, if weak and amorphous and a bit spineless, Victorian maidens in a particularly effete Pre-Raphaelite painting; their leaves are pale and they never flower. I have seen the same plants in a friend’s garden outdoors – in fact, mine are from cuttings given by him – and they are dense, sturdy, rudely flourishing, ascending bushes that flower regularly. Well, the Passa Porta writer’s apartment is that outdoors garden for my writing. I didn’t understand before coming here that sometimes you need to be liberated from the routine practices of your own life in order to discover how much or how comparatively easily you can write when transplanted to a different soil.

I remember reading somewhere, many years ago, that Graham Greene wrote 500 words every day before lunch before hitting the whisky bottle. I was clearly at an impressionable age then so I decided to make that writing-routine (not the whisky from noon) my model; 500 words every day, not necessarily by lunchtime, just to make things easier. Easy enough, you would think. I hadn’t accounted for what I can only call life-creep, the way bits and pieces from your life begin to edge their way, mostly unnoticed, into the seemingly-insulated domain of the writing of those 500 words. A phone call that you grasp at, like a drowning man a piece of wood, and continue chatting for an hour because the call has arrived at a sticky point in the writing and saved you from making tough decisions or from a spot of difficult thinking. Travelling into town to do ‘quick’ lunch with a friend, thereby cutting up the entire day. Grocery-shopping. Cruising cookery websites to get ideas for supper. Reading seven newspapers online and refreshing those pages every fifteen minutes. Brushing the cat because it looks a bit ungroomed. Washing-up from last night. They sound like clichés but have you ever thought that clichés are clichés because they are, on a very fundamental level, true?

The transplantation changes the game. First of all, there’s a moral imperative going: these kind and generous people have given me a gift and it is up to me to use it properly or to waste it. Which road am I going to take? Then there is the commitment to your own work: don’t you love it enough to want to do the right thing by it? To think carefully about it, to write it with the care and attention and concentration it deserves, to finish it on time? Being in a context other than your quotidian life shines a clearer light on to these questions because you are in a place where you don’t know anyone and no one knows you and you can’t use that ‘lunch with a friend’ as a displacement activity any longer. The pattern of things changes; you have, essentially, been given a holiday from your own life and the opportunity for 6 weeks to remake it as something different altogether. You simply cannot use that hoary old excuse, ‘There are other pressing things eating into my writing time’, any more. A writer recently advised rookies wanting to join the game, ‘Don’t hoover. Don’t wash the dishes. Starve your children. Stop exercising the dog.’ None of these distractions, duties or constraints here, only that extraordinary gift, of time, of seemingly limitless time and freedom. What are you going to do?

20/10/2011

Writer in residence Neel Mukherjee is staying in Passa Porta’s writer’s flat. He blogs weekly on this experience, the texts are posted on the website of project partner the British Council and of host Het beschrijf.



Blog #1
This is my first ever residency. When I was offered it in April, I was thrilled for reasons slightly extraneous to the business of writing, largely to do with being in a large, beautiful apartment in the heart of Brussels, a city I’d never visited, where I’d be left on my own for 4 weeks, my only obligation being to write my book. And I would be paid for it. I squeezed my eyes tight shut and pinched myself several times. I opened them and the Lady with the Glad Tidings was still standing there, expecting an answer to her question, ‘Do you like French food?’, for that was how she broke the news to me. When the delight settled down – there was more coming; the 4 weeks went up to 6 because of scheduling logistics with other writers’ times in the apartment; I feel like adding an exclamation mark after that but I shall desist – I was left contemplating the heart of the matter: the business of writing I mentioned before, the actual labour and execution, the putting-words-down-on-the-page, page-after-page part of it.

There lay the rub. I write well enough – a matter of opinion, I know, but let’s just assume that for argument’s sake – in the mess of my own life in London. To tell you the truth, other lives appear to be messier, much more difficult than mine. I am incredibly fortunate in not having to juggle a full-time job, children, family, all the roaring, ravenous demands of the outside world. Which means I’m not doing 77 words in between the morning school-run and the grocery-shopping, or 124 after coming back from work, cooking the children’s supper, giving them a bath, putting them to bed, reading to them … even writing about it makes me want to slump over my keyboard with exhaustion. How do women do it? How have they done it for centuries?

I have always thought that writers’ residencies are for people such as these, women and men who have to snatch ruthlessly, at times desperately, at the precious interstitial time in their teeming, overworked lives. A residency for them is that great gift of time. And perhaps also silence. I have a friend whose first novel is coming out next year and she’s written and done the back-breaking work of editing it in extremely limited time while keeping down a 4-days-a-week job and bringing up two children. She has done it without a residency and in three years’ time. To coin a phrase, I don’t know how she does it.

Well, I really don’t. So I took up this residency with not a negligible smattering of guilt and an escalating anxiety that all that time and silence, without company, cat, and the consumptive nature of one’s daily life – after all, it does eat into your time and energies like a disease – to provide some kind of texture and contrast would leave me sitting with pen in hand and blank page on the desk, the dead time and slack all exposed as so much disgusting detritus on a shore when the tide leaves. I have heard of writers who have used their time gainfully in residencies to write write write only to return home to discover that the stuff written was dud and was fit only for the guillotine of the ‘Delete’ button because they were writing in a vacuum, away from the energies of their lives of which writing was only one and synergetic with the others. As the time approached for my departure to Brussels, my initial excitement had become distinctly cloudy: a feeling of being undeserving coupled with trepidation is not a good way to accept a gift.
It’s easy to guess that I was wrong but I have to tell you about my discovery of the several ways I was wrong. Watch this space.